Angélique kersten  | Arnhems Blond

 


 

l i a i s o n   i n   m i m e

 

in de boomgaard van mijn beparelde lichaam
beantwoord als een ontluikend hoopvolle knop
mijn gegeselde gedachten, die van jou

het stileren van verstrengelende tongen
laat monden trillend sabbelen
op lichamen vuurvol onherbergzaamheid

de wind zal nimmer afkoelend werken
deinen als striemende takken
loslatende vruchten in innig omhelzen

een roede laat ons sterken
in dromerige avonden
zuchten zwoelzoete zefiers

drupt begeerte onopgedroogd
van verkwikkende gebaren
in de schatten van onze souvenirs

 

           duo-gedicht met Boque, www.gedicht.nu

 


M i j n   r o k j e   k e r e n
 

 


ik bedacht me nog
gister, toen het zwart
reeds verscholen lag in ’t duister
dát zelfs de eenzaamheid
beschermend werkte
mijn kracht tóen eigenlijk
sterker was


was het hebzucht
wat deed verzwakken
óf won nieuwsgierigheid
waarachter zonden pronkten
als oplichtende kandelaars
verdween donkerte
naar tijdelijke achtergrond


en gister voelde ik het dáár
dezelfde eenzaamheid
doch anders
de intensiteit van kracht
leek te zijn verdwenen
nóg steeds verzonken mijn
gedachten nog steeds gewond


 


1 + 1 = 2  + 2 = 4



de leegte
onbegrepen stil
echoën woorden
mijn hart binnen

spelen beelden
met mijn vizier

een gezin
bestaat voor mij niet uit twee
een familie voor mij,
dát is vier


 


 

v l e z i g e   v r u c h t
 



nachten gehuild
verlangens van schreeuwen
tot stilzwijgen verruild
spiegelbeeld reflecteert
een ander dan mij
verbergt zij alles wat er in
haar huist of óóit woonde
teveel aan woorden bezeerd

jaren passeerden
van vulgair tot obsceen
de vrouw van de waarheid
het kind dat verdween
onlogisch verwarde begrippen
vallende ellende tot in bodemloze put
zoekend naar respect, begrip en liefde
draaide het allemaal om hetzelfde,
het bezitten van mijn kut


 


B e r u c h t e   p a r e l s
 



mijn rijk aan fantasie
waar ik voortvluchtig lijk
pronkt duizend zonden
jouw gedachten
van verhit kronkelen
beruchte parels van genot
klinkende glazen
van net niet dronken zijn
maar rozig van jouw woorden
die ik gulzig tot mij neem
mijn rijk van fantasie
met smaak weergeven
in de droogte van onze monden
heel even leefde ik de waan
dat mijn gevoelens
in de werkelijkheid bestonden

 


 

B e e l d s c h o n e    o r i g a m i


woorden ontvouwen zich als beeldschone origami
verleidend als mijn wulpse gedaante in verwisseling
jouw handen, allesomvattend mijn eeuwige rondingen
wie erotiek bespreken in het vertalen van jouw ogen
samensmelten van puzzelenden tongen in verstrengeling

herberg ik mij in de vlammenzee van jouw verlangen
waarin ik mij verhaal in fluisteringen langszij je parelharen
een stille huivering plaats maakt voor ongecontroleerd
verdiept mijn lichaamstaal zich in het nimmer ontwaken
pulseer nog voor een laatste keer wanneer de aftocht inhaleert

 


 

S c h r e e u w   v a n   e e n   m e e u w


het park lag er verloren bij
zo alleen in mijn herinnering
klonk een laatste kus als holle echo
vertaalden wij onze liefde tussen
het wild van gras
wat zou wederkeren
als elk seizoen

doch, toekomst breekt in stilte
schreeuwt een meeuw
om een verloren gunst
niet het geven is een opgave
maar het loslaten is dé kunst


 


 

S e l e c t i e


selectief geheugen spreekt in duizend zuchten
hoe mooi ook, het herinneren van ál het zoete
blijft de waarheid zichtbaar en koel verscholen
de lijnen van het laten vieren, verloren raken

oproepbaar, zelfs gesloten blinken tranenparels
kostbaar voor het eeuwige leven ongeschonden
vervult het hart met diabeelden, onuitwisbaar


 


I J s m a a n


door zilveren vlokken afgeschoren van een wollige hemel
lijkt de winterse glans even doorschijnend als spiegelend
de tijd blijkt vastgevroren wanneer de nacht wolkjes zucht
de maan in licht al mijn herinneringen fabelend vertaalt

opdat werkelijke gedachten bevriezen in deze ijzige nacht
de toekomst met gesloten ogen zich parelend misvormt
het ijs op wangen breekt wanneer de ander zich ontfermt
en van beloftes spreekt in een omstrengeling zó zacht


 


H é é l   e v e n

 

veel wensen heb ik niet
en wat ik hoop belooft niets
de winter in aantocht
en koude voelbaar als gisteren
laat wolkjes zuchten uit mijn mond
ontsnappen
waarin ik van alles herken
oplosbaar in het luchtledige
mocht het héél even ademen


 


R o b u u s t e   s t i l t e



ik keek en zag hetzelfde
niet samen maar in gedachten
riep ik je ter plaatse

ik zag de zon ondergaan,
alleen en ook weer niet
het was in ieder geval niet de laatste

mijn lippen werden vochtig
evenals mijn ogen, ongekust
geen verlangen maar herinneren
van hoe en waar in deze rust

oneindig in tijd verrijkt deze blik
robuuste stilte, ’n waterval met kleuren
geen eenzaamheid te betreuren
als, in de combinatie; jij en ik


 


O v e r l e v i n g s b e e l d

 



vlekkenzicht
beperkt door
zwijgen

herkent de spiegel
mij niet

vergezeld mijn
dubbelbeeld
de vereenzaming
van mijn testament

waarop ik voortleven
ondertekende

 


M a s k e r a d e


de maan zingt haar toe
in de kille leegte tussen sterren
spreekt zijn stem
angstnevel bedekt haar ziel
echoot het ravenzwart van verre

 haar prevelend gebed
verstomd door vrees
nadert duivelskilte alras
met zijn grillig silhouet

kippenvel versiert haar naakte deel
siddert angst zich tot genot
verlangen grijpt zich vast aan keel
kruipt het duister tot op het bot

de wind spreekt in echo’s
fluistert aanvallend tussen kieren
buigen bomen hun salvo’s
als waakzame portieren

dromerig maskerade omarmt
haar onschuldige begeerte
laat de huivering verdampen
door zoet geurige visioenen

ontmoet zij zwarte ogen omrand
in een ontembare cirkel van vuur
gilt haar stem bevrediging
in de dwang van zijn ijzige hand

                  duo-gedicht met Ruud Schoppema. www.gedicht.nu


 


D u b i e u s


ik voelde enige verbinding
tussen het onbekende in jou
mijzelf verloren gewaand
in paranoïde gedachten
snijdt hetzelfde hout géén wonden
maar likt de ziel herboren
spiegelt het beelden in reflectie, ben ik
vastgesteld uit reïncarnatie geboren

 


A l l e s - l o o s


moordend jouw woorden
onnadenkend, zelfbehoudend
was je jezelf witter dan rein
doch niet in mijn ogen
waar respect een pré is
niet beter voordoen dan wie je
in werkelijk schijnt te zijn

gelukkig zijn er mensen, als ik
die de waarheid sneller herkent
wijs ik jou op menselijke fouten
in de hoop dat je de volgende keer
eerlijker en oprechter bent


 


 

J o u w   t r a n e n ,   m i j n   t r a n e n


samengevat jouw woorden in de kom van mijn hart
dat óók stilzwijgen kan, roep ik vragende beelden 
manoeuvrerend in mijn eigen gedachten
bespeel ik de klanken van je stem;
nabootsing van een holle echo
waarin jouw angsten een schuilplaats bouwden
verlies ik mij in jouw verdriet
behoed mij voor het zoute verdrinken
doch mijn schrijnende wangen geven mij
het enige teken;
ik zal altijd van jou houden


 


 


V e r f i j n d
 

 

geblinddoekt zou ik willen beleven
de aanraking van jouw heetste vuur
opdat ik sidderend zou zweven
verlangen
kreunen
tot het laatste uur

pas dan zou je mij mogen bevrijden
zodat ik ongezien heb kunnen raken
wat jij in mijn lichaam deed ontwaken
verlangend
kreunend
intens, zo puur

 

 


F o l i e


weet je nog,
van cursief gedrukte letters
in onzichtbare inkt gedoopt
hoopvol om gelezen te worden

ik weet het nog,
niet als gisteren maar een beetje
als het vetgedrukte schreeuwend
om gehoord te worden, vandaag
 

 

 


F a n t o o m p i j n
 

 

sinds de pijn weer is aangegroeid
tot ongekende vormen
beleef ik schetsvertoningen
geen oog meer voor
waarden en of normen
mijn doel is ongekend
van hoogstaand verlangen
ik weet dat jij diegene bent
die mij zou willen aansporen
aanreiken,
mijn op en top vrouw zijn,
zou willen bekronen
 

 

 


O n t w a k e n


 

meer dan eens verlang ik naar jou
bij ontwakend ochtendgloren
mijn handen onzichtbaar dwalen
geurend spelen
beelden vanuit erotische verhalen
waar sappen vloeien
als nectar van de passiebloem

meer dan eens verlang ik naar jou
van woorden naar daden omzetten
geile begeerte
alles bezitten
de macht van hebzucht
ontstaan uit onze woorden
van niet enkel dromen,
maar doen!
 


 


 

m e e d o g e n l o o s


meedogenloos sleep ik
haren over ruwe grond
trek harder zodat pijn
buiten hoorbaar, ook meer
zichtbaar zal worden

met wraak en kracht die
ik niet als van mijzelf
herken, beul ik door
tot bloed zal stollen

geen ader zal kloppen
misschien alleen nog die
van mij, toeval bestaat dit
keer niet uit, het lot

vandaag nog maak
ik je leven kapot

 


 

 


k r a c h t   v a n   w a t e r
                                   (herschreven)
 

het stof wordt weggewassen
met de kracht van water
stortend uit 'n wolkenbreuk
sporen van de dag vervagen
voetstappen niet meer bestaand
tot een modderpoel gevormd
alsof ik er nooit ben geweest


 

 


 

 

W i l d g r o e i


laat mij sterven
doodbloeden
éénjarige zomerbloem
gehurkt in wildernisfantasieën
waai ik richting westenwind

deel zonder erven
niemand kon behoeden
‘zomaar’ niets aan te doen
stuifmeel orgieën
‘k was nog kind
 

 


D e   w oe s t e   b a r e n

 

zee omarmt, het leven
het slaan van golven
gaat eindeloos door

schreeuwen rumoerige
meeuwen elkander toe
in ‘n meerstemmig koor

schuimbekken van koppen
mindert in uitgestoken arm
alsof ze willen verstoppen

in deze bevrijdende inham
vele liefdes raken verloren
doch
de zee, mijn grootste vlam

 

 


K e l e n


kleine dingen, zoals aaibaarheid
zullen blijven verwaaien in mijn bestaan
zo ook jouw onhoorbare woorden
waarvan klanken niet eens bereiken


hoezeer ik ook wurg om dichterbij
te geraken, verdrinkt de afstand zichzelf
een eenzame dood, vergaat liefde langzaam
geven wij elkander steeds minder bloot

 

 


Schaars


ik zie het gebeuren
zelfs gesloten ogen
geven beelden weer
gedreven in krachten

spaarzame momenten
als uitgedokterd romancen
ik ben geen beginneling als je
dat soms nog mocht denken

steel geen ongesproken
woorden van mij
wanneer je omkijkt
help ik je haten

 

 


Glashelder

 

Kristalachtige handen
'levend' begraven leven
schreeuwt om aaibaarheid

gedenk me niet in
toekomstige woorden
als je geen betekenis kent

--
13 oktober 2006

 


 
 

 

o n h e i l
 
 
soms moet ik loslaten
heel even
opdat ik kan ademen
vaker heb ik het koud
meer dan nachtelijk verlangen
zal het niet zijn
maar toch,
de eenzaamheid voorbij
getuigt de maan in liefdevolle blik
beoordeling van het kwaad
was het de duivel
of gewoon ik?
 
 

 


Z e e [ r ]   c o m p l e x
 

De zee altijd even robuust in antwoorden
sleurde ook die keer mijn geweten mee
tegen ruwe, scherpe rotsen.
Wanneer het tij zichtbaar werd
keerde ook ik terug in eigen verlangen.
Wierp een blik richting horizon
terwijl de zon mijn zicht verblindde,
mijn longen zich vulden met zilte lucht,
golfde lichaam met de deining mee.
Het was als in mijn allerlaatste zucht
 

 


t u m t u m
 

tumtum zo roze
gesuikerd en zoet
verlikkend, lekker
zo zalig, zo goed
geliefd door tong
van ‘n heerlijk reliëf
genietende noodzaak
met een beetje klef

 

 


C a r n i v o o r


je plukt me de sterren van de hemel
troont mij als je bijzondere koningin
verovert mijn hart in een luttele seconde
is het jou die ik hartstochtelijk bemin

de passie is nog lang niet geweken
zelfs niet wanneer je mij verlaat
immers is ‘t altijd weer gebleken
er is niets méér te vinden op de straat

wat je hebt zal je niet bezitten
doch onvoorwaardelijk is het wel
ik zal niet teveel meer aan je klitten
want ná een troonafzetting volgt er
van mijn kant altijd wel een rel

kus me nú als de nachten daarvoor
scepter mee in onze gezamenlijke zonde
lik mijn gespleten ziel, bevredig mijn lusten
eet mij, als een wellustige carnivoor

 




W i n d s t i l


achter mijn ogen
schilder ik
een beeld van jou
en

terwijl de wind
duizend zinnen spreekt
kleuren stil
voor voeten wijken
sta jij daar, in het gras

zuchtend in verleden
ongehoorde verlangens
waarin jij wederom
knielend tot
mij smeekt

maar onze wind
waait eigen streken
net als de liefde
die blijft waar het is,
en was


duo-gedicht met Carl www.gedicht.nu



H e t   l a a t s t e   b e e t j e   z o m e r


mist hangt in plukken om mij heen
haren slap en onverzorgd
vergeelde blik in verdorde ogen
het laatste beetje zomer verdroogt
als in mij


 

 



G e l i j k s p e l


wanneer jij serieus gelooft in mijn liefde voor jou
breek mij dan niet in ongelijke delen,
stukken die niet meer raken, ongelijmd verslijten

als jij gelooft in steeds weer die opkomende zon
bedenk dat er ook een dag zal komen waarin het
alleen nog maar donker, levenloos koud zal zijn

vraag mij dan niet smekend, op huilende knieën
dat ik doorvechten moet want ook jij zult toch
moeten weten dat schuld innen eens wordt beboet


N e v e r    e n d i n g   s t o r y


 nog voor het ontwaken
ben ik meer wakker dan
ik ooit slapen zal
geluiden klinken schel
al beweeg jij je nog zo zacht
ik ben altijd op mijn hoede
alert en het meest in de nacht
droom ik over verhaaltjes lezen
een sprookjesboek nooit meer uit
van zachte wiegeliedjes, knuffeltjes
voor het slapengaan, maar de
realiteit was minder waar
na elk gebroken moment van
toegestaan geweld, weende ik
onophoudelijke tranen en
schreeuwde ik van binnen luid

 

 



W o u ld - b e


scherpe kanten van ‘t leven
raken nooit uitgesneden
wanneer ‘t zich herhaalt en
verdriet zich met regelmaat
openbaart, inplant in mijn ziel

en ik vraag me af of jij dan
smaakt als ’n goed glas wijn
of was jij nu toch die met
nasmaak, van bitter wrang

mijn tranen zijn nog nooit
zo troebel geweest als het
jou aangaat, destijds voelde
ik mij verloren, liep ik eenzaam
over straat

maar nu kan ik niet eens meer
lopen ben de weg reeds kwijt
geraakt, vele zogenaamde beloftes
maakten opnieuw schuld

mijn liefde voor jou
in zwartgesluierd gehuld

 


 



M i s s i e  [misschien]


in de openheid van vertrouwen
verlies ik mij in de leeg gevormde gaten
verdwaal tussen regels en zinnen
die verkeerd worden geïnterpreteerd

gehoorzaam zal ik de liefde behouden
en hoor mijzelf als Brugman praten
wanneer ik verdwijn tussen bevlekt linnen
heb ik mijns inziens voldoende geïnvesteerd

was het niet gister wat vandaag bespreekt
verheugt een morgen zich de herhaling
overdenkt een droombeeld zijn zonde

is het mijn stem die zachtjes smeekt
maar zijn gehoor kent geen vertaling
volstrekt de missie zeker haar volgende ronde

 


 

V e r v a l s t e   k l e e r s c h e u r e n


benieuwd of ook jij mijn ongehuilde tranen zult herkennen
wanneer ik mij volledig geef in een van die duistere nachten
ontwaakt misschien de wolf in mij, wie huilt bij volle maan
zullen sterren in ‘t licht misschien jou dé waarheid bekennen

dat het beest in mij schreeuwt naar dat juiste bruut verlangen
van ongekooid beleven wil ik alleen nog jou ongetemd behagen
geen begin en ook geen eind gewoonweg zonder enige belangen

maar zoals een ras echte wolf gulzig aan zijn hapje begint
blijft geen enkel stukje onverdeeld of onbemind
niet zonder kleer of scheur zal het jou verlopen
misschien toch beter, als je gewoon aan mij voorbij zult lopen

 



O p g e d e e l d e   t i j d


raaklings kussen woorden mijn geopende mond
waar ogen hebberig voor elkander bezwijken
 wrijven handen over verboden zichtbare delen
welvingen begeleiden de route in het rond

het zuchten zal nu en dan eens staken
zoals bij het juiste woord, dat mij toen
op juiste afstand perfect wist te raken

soms is het te betreuren dat tijd en plaats
niet valt te plannen, zodat er op ’n ander
moment meer gelegenheid was om jou nog
beter te leren kennen

 

 

 



F r a n k ’s   w a a r h e i d


Frank zingt,
schaamteloos zijn liefde rond
van de hervonden pijn
het ondraaglijk wordende
verlangen doch dan hoopt hij weer
dat het niet zo is

maar alles is toch zwart-wit
zelfs het denken in mijn hoofd
zijn liefde of het verlangen ernaar
en weer die afstand doet zo’n pijn

er gebeurde teveel om op te slaan
1001 hotel wie kan zich nog herinneren
zo mooi waren die tijden
welkom in Utopia, zo leek het wel
maar jij riep: ‘Ga die wereld uit’

met lege handen zocht ik mij een mantel
der liefde, zodat jij mij bedekken kon
mij je kleine blonde prinses durfde te noemen
maar de wind nam hem weer mee

en Frank zingt,
een schreeuw zonder geluid
zelfs dan gelooft hij nog in het paradijs
ik volg zijn akkoorden verwarm mij
aan zijn akoestiek

zoals Frank gelooft
zo beleef ik romantiek

 

 

 


 


T u s s e n   t w e e   j a a r g e t i j d e n   i n

 

 

wanneer de zomer ontzwangerd
in haar laatste geuren, wacht de
herfst al bijna uitgeteld met het
tonen van haar diverse kleuren

geniet ik ‘n stukje tijdloze periode
tussen deze twee jaargetijden in
tot het zal gaan stormen en waaien
in de bossen ergens diep van binnen in

paddenstoelen hoog zal ’t kruipen door ‘t mos
een bladerbed vol opgedroogde gedachten
zoekt nog hoopvol richting op hun laatste weg

de winter laat dan nog even op zich wachten
de regen drupt tegen die tijd nog zeer gestaag

ik tuur maar dromend door mijn tuinraam
hoopvol wat het weer ons brengen zal vandaag


 

 



d r o m e n


verzonken in gedachten
droom ik de stilte dichterbij
elke avond overvalt
slaap mijn beleven
geur ik je reuk hier bij mij
met het opkomen van een ochtendzon
voel ik je aanwezigheid als welkome gast
dichterbij dan intens voor wie dan ook
voel ik je diep van binnenin
zo dichtbij ben je nog nooit geweest
en toch vanaf zo ver
is het jou die ik bemin

 

 



S e n s u e e l   d o n k e r  r o z e


meer nog dan de kleur
is het jouw geur
die mij smeekt
aanhalig te zijn
de honger stillend
staar ik mij vast in
jouw vrouwelijke vormen
zacht in jouw armen
gun je mij dat ene
minimale deel
dat alles wat ik liefheb
weer voelt, als één geheel





V e r l i e z e n   w i n n e n
 

 

gebogen onder mijn denken
voelde ik jouw gestorven ziel
heb ik je met leven omarmd
de triestheid van heengaan
verpakt in duizend licht van neon

gokkende armoede van bestaan
nietszeggende draaiende uren
waarin je alleen verliezen wint
heb ik me omgedraaid en mijn gedachten
toegewijd aan jouw verloren kind

 



P a r a d i j s e l i j k   d o o d


 tot de laatste druppel
heeft de zon mij leeggezogen
het eind van deze wereld
die nu grijpbaar voor me ligt
knijpen longen zich samen
in dit vreemde anonieme landschap
waar paradijselijk en dood samengaan
als elkaar beste vrienden
waan ik mij dezelfde illusie

 

 



O p g e l e g d e   w a a r h e i d
 


ik ben banger dan dat je ooit in mijn ogen zult lezen
hervonden herinneringen ruiken nog steeds naar roet
 dat smeult in mijn diepste verborgenheid

geloof nog steeds in opgelegde waarheden
waarom blauw, blauw is kan niemand verklaren
dus ook dat enkel gegeven niet

jouw leugens waarvan ik er enkele ken
vertellen ze mij wie jij bent, of eerder
de kracht achter de persoon, die ik zelf ben?

 



P r i j s


verwikkeld in dromen van de geest
bespaar ik mijn gedachten
van teleurstellingen
verzucht ik de storm die
vernielend raast
puin achterlatend
tijdens een wederopbouw
hoe wereldwijd kan ik geloven
dat armlengte reiken kan
hoe hoopvol mag ik zijn
wanneer alles al is te lezen
in gesloten ogen
misschien is het de altijd aanwezige pijn
van angst, verliezen en weer verloren te zijn



 



W u l p s s c h i e r i g h e i d


Ik gebaar je
kom bij me.
Mijn lippen
droog ongesproken.
Wikkel ik mij
in je zijdezachte.
Rijkelijk fluweel
bloesemharen prikkelen,
fris gewassen wulpschierigheid
versta ik mijn grenzen

 




n a a r


vandaag voel ik me eenzaam
vergat je ochtendglimlach
tussen mijn tranen door

ik heb angsten weet je
al ben ik soms ontkennend
lijkt alsof ik het negeer

maar ben mezelf soms niet
verval in nare gewoonten
gepaard met oud verdriet

misschien vertel ik te weinig
in mijn gesloten opgesloten zijn
deel ik jou niet mijn angsten
onderga ik liever alleen de pijn




[ L o s ] [ g e ] r a k en


wanneer ik mijn droge tranen ween
draag jij mij op jouw krachten opdat
ik niet verloren ga in gangen van verleden
die ongenaakbaar zuchten in de blik op morgen

ik sterf nog liever dan dat mijn lichaam
mij weer op die manier verlaat waarin
ik voor altijd mijzelf zal verliezen

niet boos zijn, mijn liefste als ik je los moet laten
dat gaat mij het meeste raken
maar beetje bij beetje
zal mijn lichaam haar eigen route verkiezen


 


b e e l d h o u w b e e l d


vele malen heb ik liefgehad
mezelf geraakt en bewonderd
kunstwerk uit beeldgehouwen
vruchten van eenzame liefde
die haar passie niet verliest

vaak koester ik dan mijn dromen
zal waarheid nog vele malen
moeten betreuren, iedere keer wanneer
je jezelf boven mijn lichaam verkiest



D i e p r o o d 


neem mijn liefde voor wat het waard is
alles of niets deed ons springen
maar het diep is nooit lager
dan waar wij ooit waren,

uitgeklommen
op kosten van gespaarde liefde
weten we nu wat het waard is

in getalen, onnoemelijk veel
geschreven in bladgoud van mijn denken
voelbaar in ‘t diepste rood van mijn hart
dat ik jouw wil schenken

 



F l u w e e l z a c h t


mijn verlangen verheugde zich
naar die ene besloten kus
wanneer het daags later is
vertoef ik nog in mijmergedachten
die immer zullen dwalen naar de bron
van eeuwigdurende liefde

hoe ongepast mijn lippen vormden
naar het verlangen dichterbij dan
ontwaken, prevelde ik onhoorbaar zacht
mijn 'ja' maar weet dat ik schreeuwde
luidkeels tot in mijn hartenkamer
waar ik fluweelzacht jouw lippen beroerde
 

 

 



R e d d i n g


ik wil niet luisteren, sluit voor eigen wijze les
schenk mij jouw verlangen opdat ik koesteren kan
wacht ook jij op de nacht die ooit eens voor ons vallen zal

waar lichamen leiden, wij elkaar door het duister heen ontmoeten
zucht ik mij een weg door jouw aanrakingen en verlies mijn grip
op al het aardse wat bezighoud en rust in de vredigheid
 waar ons doel herbergt

wanneer de maan jouw blik verlicht
mijn naaktzijn zichtbaar worden zal
volg de lijnen van het door ons opgelegd spel
en bevrijdt mij dan enkel en alleen nog
van gedachten zonder eind


  There is a star in the sky
  Guiding my way with its light
  And in the glow of the moon
  Know my deliverance will come soon





F u n d a m e n t


weetje,
het is al weer lang geleden
dat ik gras groener keek
en leefde op elke zucht
van westenwind

en nu,
uitkijkend naar volgende stappen
bedenk ik mij dat afsluiten nooit
definitief betekent
heropen ik

ogen voor het ongeziene
nooit beleefde fundament
bij de eerste stappen
hoop ik nog wel dat je ‘t
als het mijne herkent

 


 



R u s t


ergens tussen het ruisen van deze kalmte
weet ik dat we allen overwinnaars zijn
waar verliezen worden betreurd, ontstaan
ook nieuwe kansen, niet uitgestippeld
want deze stap is er een uit duizenden

wanneer alles draagbaar ademt, vormt
zich een warm gezin en waar rust is
teruggevonden wordt schoonheid
op waarde geschat en in liefde gevormd
groeit er een heel nieuw begin


 

 



L a u w e r k r a n s


onafgebroken wuif je aan heidevelden handen klein
waar je gestalte minder kwetsbaar lijkt zo in ruimte
allesomvattende stilte ondertekend met rode ogen
in bloed verschreven na de schreeuw bij de val

gedempt onder een straffe wind uit het verleden
wakkert de pijn aan onder een schild van verdriet
strijdkelend schreeuwen om gesneuvelde maten
handen nog strijdlustig en gebukt onder verzet

brengt het nog zoveel herinneringen met zich mee
waar je jezelf voor dood hield maar niet vandaag
daar waar gras knakte en dood overwonnen had
gezaaid en geoogst door strijdende massahaat


Noot:
lauwerkrans het teken van overwinning [WWII]
duoschrijven cindyV2 www.gedicht.nu



 



i k ,   P a p a v e r   R h o e a s


de roos klapt
in rode kleuren
wuivend langs
het groene gras
wou dat ik zelf zo’n
grillig blaadje was

dan zou ik zwaaien
naar elke passant
lonken en pronken
langs de oeverkant

wil ik hangen aan de
teerheid van de stengel
doch diepgeworteld mij
niet laten plukken door
de een of andere bengel

communiceer met enig
tederheid, fragiel maar
toegangelijk tegelijkertijd
laat me waaien in de wind
mij kostelijk amuseren in
de bewegende aktie waarin
ik mij bevind





L e i


geen ogen kunnen verbergen
de schittering na ongekende zoen
een hart om in te herbergen
en wat we er allemaal voor doen

geen struikje meer onbewogen
waar verlangen zichtbaar wordt
hunkert ‘t lichaam hemelbogen
maar al het goede duurt te kort

eenvoud bestaat niet in woorden
niets is meer gewoon zoals jij
was ik het die mezelf ontspoorde
zonder kans, zelfs geen schone lei






D r a a g k r a ch t
 

weer nog steeds
blijk ik niet meer
of minder waard
dan voorheen

gister lijkt
zo dichtbij
dan morgen
ver weg zal zijn

voel ik mij
onzichtbaar leeg
alsof ik zomaar
in de lucht hang

gewichtloos, maar
waarom draag je
mij dan niet


 


R o d e   s c e p t e r


met het dauw nog onder de voeten
mijn ziel verwachtingsvol hopend
na een nacht stilzwijgzaamheid
keer ik huiswaarts, lippen geopend
en kies ik voor onze verbondenheid

verschillen spelen ons beide parten
eigenwijsheid zwaait als rode scepter
maar steeds genieten wij van elkaar;
‘n samensmelting van verwonde harten

 

 



R a n g


ik stijg
bovenuit
ik moet wel
om te overleven
en ik hap zo snel niet
meer wanneer ik gebeten
word, ik kauw wel door op
verbeten lippen die het zwijgen
worden opgelegd, tot bloedens toe





Z i e l   i n   r e f l e x


kan de kleur niet meer vinden van zwart
zo donker, met ogen die niet meer openen
zelfs niet meer voor ‘t wonderschoonste wit
mijn handen willen niet meer warmen
kansloos, voor eeuwig ‘n onbesloten hart

wat ik herken is juist dat wat ik niet wil voelen
regent het druppels vanuit mijn angstig kind
dat nooit volgroeide tot de krachten van ‘n vrouw
geen herkenning voor wat ze met liefde bedoelen
balanceer ik gevaarlijk net op de buiterste rand

ik val niet, want ik viel al vaak, maar ik wankel
spiegel mijn ziel in reflex, kouwelijk zonder kleur
loop meer leeg dan ik opladen kan, zo verlies ik grip
ik wil wel al moet het kruipend zet beide nagels vast
maar al met al blijk ik kapitein op eigen zinkend schip





O v e r b r u g g e n
 

geen haan die kraait onafgebroken
schel door het eerste zonnelicht
geen ziel niet angstig ingedoken
kermend onder het gewicht

eenzaamheid is onbewaakt
en heldendaad vooruitgeschoven
lichaam liefdeloos geraakt
mens door vrijheid laten beroven

geen traan die nooit meer drogen zal
geen afkomst zonder weg terug
elke berg kent een dieperdal
iedere kloof dan weer een brug

   duo-gedicht met Gaspode www.gedicht.nu




L a n d s c h a p   v a n   m i j n   g e h e u g e n


een leigrijs wateropvlak
waarboven het wolkendek
een minimale zon herbergt

‘t water, dat lui rimpelt
moegestreden stormen
behoren tot het verleden

een lichaam als het water
‘t hart reeds opgelost,
gevoelens stromen,
als toekomst voor later
 

 



‘ K a s t e l e n ’


 breek van ontroering mijn ziel geopend
voor alles wat ik het verleden kado gaf
en jij mij, van al het goede tot en met
het spuwen in ontstane gapende wond

blind van liefde verstoord door eenzaamheid
sprak ik van toekomst die nooit zou bestaan
bouwde jij luchtkastelen, woonbaar voor ons
waar ik in gestolen momenten heen kon gaan

maar niets zo ontoereikend als de liefde
die geeft en vooral zo onvoorspelbaar neemt
graaf ik nu zandkastelen omdat onze lucht
verkleurde en de hemel alleen nog weent





G e d o n d e r


regen streept over wangen
het gelaat kleurt kouwelijk rood
tranen vrijspel in verlaten
een dans met eenzame druppels
over spiegelende straten

zal de bui weer klaren
nog voor de avond valt
of stort het nog eens vol met donder
en gaat ons vertrouwen met
gekromde schouders ten onder



S c h o o l b a n k


als een lente die zich vormt tussen winterse dagen
kwam het tevoorschijn achter mijn gesloten ogen
nieuwsgierigheidwekkend naar later wat toen was
en niet kon zijn of misplaatst in de werkelijke tijd

als ik toen wist had ik nu misschien geweten
minder was misschien zelfs wel dat beetje meer
nostalgisch zijn de herinneringen die ophalen
waar eerste stappen naklinken als een holle echo

wat zou ik graag herhalen wat nooit eens was
alleen in dromen die toen nog konden bestaan
nu weet ik niet eens jouw volledige naam maar
met ogen dicht zie ik je zitten, vooraan in de klas

 

 



E c h o   o p   m i j n   h u i d


in het godvergetenland
dat mijn droom heette


prevelde ik woorden
onverstaanbare werkelijkheid
die vast nog harder is dan haat kan zijn
doch ik ontwaakte ook weer uit deze oorden

prikt het zweet nog na als echo op mijn huid
beleven mijn gedachten verloren landschappen
waarin ik mij schuil houd en schreeuw zonder geluid

 

 



P l o o i e n  v a n  h e t   v e r l e d e n


waneer een windvlaag opwaait in verscholenheid
zucht ik vele winden die stormen eerder lieten liggen
want nooit, geef ik me helemaal, bedek ik al het
onderliggende wat mijn hart niet wil aanschouwen

te pijnlijk voor woorden het niet uitspreken ervan
versieren tranen mijn marmeren gelaat, breekbaar
in elk gestolen moment van puur mijzelf zijn
nestel ik me alsnog in de plooien van het verleden

waarvan de wijze les toch eens uitgelezen zal zijn
over eenzame kilte valt niets te verzwijgen maar er
zal niets te zeggen zijn over ‘t lichamelijke geweld
en mijn geest die werd gedood, ook in deze pijn

neen, ik zwijg liever als een graf, begraven onder
het aardse en treur in donkerte, de lengte van dagen
koester een boeket dat met liefde werd gebracht
als opsiering van stilte dit alles zonder te vragen


 


M e l a n c h o l i e


weemoed is voor de ouderen
achter gestorven geraniums
als mijn venster identiek
het gemis sterker dan de
geur van vers gemalen koffie
brandt de tong van verlangen

ogen spreken in den treure
lippen gestijfd op elkander
handen vouwen zich in verleden
vol ontroostbare gedachten
het wordt wel lente elke keer
ook voor mijn raam

 


‘ n e v e r  p r o m i s e d  y o u  a  r o s e  g a r d e n ’


wanneer het buiten donker wordt
als nachten daarvoor reeds kleurden
zullen stralen zeker altijd missen
en wonden immer blijven treuren

als gedachten niet meer ontroeren
tranen als harde druppels verzuren
jouw vingers mij niet meer beroeren
als je daarvoor eerder hebt liefgehad

mistroostig zal het dwalen zijn
door een nooit beloofde rozentuin
wat een geur en kleurig bestaan beoogde
bleek een donker gat met alleen maar puin


 



B e t r a p t  d o o r   w a a r h e i d

 

geluid zo stil als in deze zwakte
maakt zelfs een omarming kil
opgelicht uit een duister verlangen
speels de gedachten die niet bestaan

een leugen betrapt door waarheid
zal de vinger wijzend branden
als marteling voor een zondaar
één van het stilzwijgende soort

negeren voelt als zwaarste straf
maar wat anders valt er te doen
als je misbruikt, liegt, je voordoet als ‘n ander,
ben je in mijn ogen alleen nog maar laf

 

 


V e r l i e s


 

het glipt
meer dan eens
langs het ruw
tussen vingers
wat opnieuw
bloeden zal

het drupt verloren
waarvan ik dacht
te bezitten
maar ik had de
kracht niet
van het vasthouden



M i d d a g

 

wanneer de zon hoger staat dan gister
en ik weer dichterbij kom dan morgen
zal ik nooit bevrijd zijn van gedachten
die mij zwart doen verkleuren

ik zal wachten op het resterende
wat zich nog zal meebrengen
en alweer leiden herinneringen
mij door waakzame deuren

die ik op een kier liet staan
zonder tochten






D o o d z w ij g e n

 

ik verga met alle bloemen
die geen zon meer herkennen
verliezen kleuren hun charme
wanneer de nacht mij hoereert
onder haar sterrenhemel
wie zo onschuldig straalt

verhelderd door oplichtende maan
zal ik diep zinken, tot de bodem gaan
waarop ik weer zal moeten kruipen
om de volgende dag weer op beiden
benen te kunnen staan en mijn lippen
stiften in een doodzwijgende spiegel




V e r r e g a a n d
 

namen in gepolijst steen
sieren vergane maanden
in krullen geschreven gedichten
verlies ik mij in hun namen

voeten raken tot stof vergaande aarde
beschermd in de armen van de Heer
van mannen tot moeders’
kinderen, die zij eens baarde

zelfs zonder enige wind
voel je het waaien tussen zielen
alsof ze mij hun leven vertellen
verderop huilt nog steeds dat kind



A l s   l a a t s t . . .


ik zocht uw naam
tussen al die anderen
zomaar ‘n naam maar ook de zijne
uw huis is nu ook het mijne

het afscheid is nooit vergeten
en doet bij vlagen meer pijn
dan hij vermoeden zal
het vreet aan zijn geweten

ik wilde hem laten zien
waar u ten ruste bent gelegd
waar hij misschien nog eenmaal
woorden kan uitspreken, die hij
alleen in gedachten tegen u heeft gezegd




M a a n - d a g

 

de kilte van hun stenen
zingen puur verlangen
naar de geliefden die bleven

wil ook ik weer naast je liggen
als toen, dan anders
maar het gras groeit verder

en de maan verschijnt
als de dag enkel verloren is gegaan,
met jou

-
21 maart 2005

 
 



F l o r e r e n

een gulzige zee brult nog steeds
in mijn reeds gedoofde oren
waar een straffe wind mijn
gezicht zandstraalde en donkere
wolken mij passeerden,
bedreigend en vertrouwelijk gelijk

aangenaam in gedachten
raap ik nog de resten van onze
liefde welke, ooit ook in bloei stond,
als de aankomende lente waar
onze bloesems nog nageuren
aan kale bomen in mijn dromen
 



G r o e n

 

 Ik ruik nog het gras
wat tussen tenen krulde
wuiven bloemen nog langs
onze wangen tijdens die één
na laaste kus, wat telkens weer
niet de laatste bleek te zijn!


Net als dit seizoen haar kleuren
al snel verliest verkleurde ook
ons samenzijn om tot wankel
Doch nog enkel bij het noemen
van jouw naam ontwaak ik
 




s t i l


dood is stil

zwijgzaam

ongesproken

woorden

nietszeggend

zelfs geen

zucht






W e l k o m


kijkend naar de buitenkant
van wit sereen welkom zijn
draai ik weg van al wat donker
is en laat mij leiden

door golven van het koude pad
naar hogere gedeelten
naar daar,
waar ik wil bereiken

haast onaantastbaar lijkt het
maar ik kan dromen, zoals
ik smelten kan

als in jouw armen




N i e u w e   m o r g e n


kijk niet om naar wie ik was
ik ben veranderd
probeer niet mijn gedachten
te lezen, ik spreek niet meer
in jouw taal

nog eerder voor het donker
haar nacht omarmde, ontwaakte
ik in eigen morgen
dat vol verlangen sprak

ook al zwijgen lippen
nog steeds van stil verdriet
de verandering is voelbaar
ook al zie je het misschien
nog niet



S c h e t s


ik ben afwezig stil
in mijzelf gekeerd
de wortel brak nog
eerder dan mijn gil

verlangend snak ik naar
opgeklaarde lucht maar
ik lig als een foetus in
mijn tentje afgesloten

wil wel roze kleuren
maar het zwart dolkt
door mijn ziel, adem
ik in horten en stoten

wéér mezelf vergeten
een verlangen weggesust
het kloppen spreekt in aderen
en pijntjes worden weggekust



V r e e m d e l i n g

uit een zilvergrijze hemel
glinsteren diamanten-
vlokken weerloos
onbevangen naar
beneden

magische stappen
betreden het witte
vlekkenloos kleed
wat haast ontastbaar
lijkt

gehandschoende handen
wuiven een gebaar van
welkom zijn, spreken we
zonder taal



W i n t e r - h e r i n n e r i n g


in het net-klaargekomen-moment
wanneer ochtendnevel onze adem
verdampt, klamp ik mij nog vaster
aan het houden van dan daarvoor

gevuld met zoveel liefde dat
onze lichamen een stilleven
vertegenwoordigen, een
afspiegeling vanuit de tijd

de winter zal voor eeuwig kostbaar
blijken wanneer herinneringen
opgeslagen liggen in al lang gesmolten
ijsbloemen, adem ik nog steeds jou

 


Z i c h t b a a r 

 

de kou houdt
langer stand
dan één winter
ademen kan

vergrijst de lucht
bij beetjes meer
dan gister deed
voorkomen

doch hoopvol
bedekt een wit laken
verlangens van klokjes
die lente spreken


 


D a l

 

je zoekt en zult ook vinden
maar wat gevonden is kan
alleen worden losgelaten
door vergeten

eigen dal vol met tranen
verdrogen langzaam
in de zon van komende lente

toch zal het jou aangrijpen
dat alles wat je had, dacht
te hebben ‘zo maar’ werd
losgelaten

en wat is het koud geworden
in de afgunst van de morgen
die niets meer belooft dan
lege handen


Top