Angélique kersten  | Arnhems Blond

 


  

R a u w    b l o e d


je omarmt mij met mierzoete woorden
die ik ontkracht met breed glimlachen
ik geloof niet in krullend neergeschreven
zinnen, die met ‘ik heb je lief’ beginnen

ik geloof in haat en razernij een groot
gevecht van buitenaf, misschien dat het
komt, omdat ik kreeg als kind vaak om niets
teveel straf, de nacht is nooit zwarter geweest

dan toen, ik voor ‘n  hemel stond en prevelde
tot toegang, doch de tunnel bleek niet wit
maar met rauw bloed omrand, ik dit alles
achterliet, met enkel nog zwart aan mijn hand

 


 


C a f é   N o i r


gedachten houd ik nog steeds als zon in mijn hand
waarmee ik mijn dromen kan hart-verwarmen
staar me nietszeggend de ruimte in waar jij achterliet
struikel over brokstukken van mijn verloren verdriet

want zelfs dát wat verloren is voelt aan als gemis
als een winter in sneeuw die ook weer smelt
ik ben het kind van herbeleven al een leven lang
de geest laat verdorvenheid achter, dagen geteld

een wolkenloze tóch regenachtige dag
ik kreeg het steeds weer voor elkaar
je zou me de duivel willen schenken

laat het zwoele kussen zich liever herdenken
hartverwarmend in een eerste oogopslag
als thuiskomen in café Noir

 



 


’n high sonnet


boze tongen draaien radloos
‘t spuwen tegendraads beland
ogen schreeuwen vuur en brand
waar zich het wringen verkoos

laat me eens de zonde zijn
daar bereik ik vast iets mee
het was al weer zo lang gelee
ik voel onbehaaglijke pijn

van machteloos verloren
in eenzaamheid doelloos draai
het kan me niet bekoren

vanwaar mijn acties, minder fraai
ik wil je zo graag toebehoren
lust maakt nu eenmaal ‘high’

 


 

P l a t e a u f a s e


als ik ogen sluit
en het spieken start
wikkel ik mij nog
even in jouw illusie

haal mij door jouw
begeerlijke molen
draai me in de rondte
tussen het nat van vingers

begeef ik mij op een
onevenwichtige hoogte
doch dromen ontwaken
wanneer ik val in dát wat lonkt

en het verlangen roofde
 


 


 

P r o d i g i e u s


mist vanachter melkglas van gedachten
cirkelen doelloze fragmenten misplaatst
het zicht wazig, huilt verborgen sneeuw
wat dwarrelt over scharlaken wangen

eenzaamheid verhongert, voed mij!
plak woorden tot misvormde zinnen
draai de wachter als een sierraad
rendez-vous in een gestolen nacht

prodigieus schenk ik mij aan al dat afwijkt
ijsbloemen sieren reeds mijn onsterfelijke hart
ik zal nimmer smelten


 


 

F i g u r a n t
 


warmte ontgaat me niet bij het zien van moois
de glans van glorie figureert een overwinning
applaudisseer een vreugdedansje, het kind in mij

rollen gekristalliseerde tranen als breekbare parels
onverstaanbare orgasmenkreten, magneten uit tijd
waarin ik onbevlekt gevangen werd als doodzonde


 


 

R a m p s p o e d i g
 

uiteinden knopen zich nooit vanzelf ze
klitten tot bollen rond mijn zonnevlecht
fungeer ik naar behoren doch adem nadert
een einde waarin ik mijn scenario bespeel
 
was ik maar nooit verloren, in die ijzige kou
waar opwarmen een noodzakelijke optie bleek
en ritueelgebonden gaf ik mezelf openlijk bloot
ondertekende daarbij volgens eigen zeggen
 
een rampspoed,
met als gevolg mijn uiteindelijke dood.

 


 

S c a l a
 
 
de nacht ontwaakt in mijn armen waar
de maan mijn zwijgzame stem vergezelt
koers ik naar het sterrenlicht van dromen
 
ik bewonder, en niet alleen mijzelf,
jou in deze schaduwrijke duisternis
waar inktzwart in gedachten samenvloeit
 
en er zomaar uit het donkere niets
herinneringen ontstaan die toekomst
weergeven in een kleurrijk spectrum


 


 

I n c o r r e c t
 
 
schaduw likt een lichaam
handen dwalen
een betoverend spel
 
verrassend laat haar genieten
een lichte koude huivering
trotseert haar vel
 
in een moment van onbewaakt
choqueert zij onbedekt,
halfnaakt
 

 


A p p l a us  I I
 

spreek niet van zonden
als de keus geen andere was
dan die jij voor rekening nam
 
respect voor genomen stappen
als geen ander mens
wist jij toekomst te veroveren
 
ik applaudisseer niet in stilte
geef je alle gratie van vertrouwen

 

 

 

 


 

S c h a d u w s p r e k e r

 


'ik ken je niet'
zwijgt de spreker
in een moment van stilte

'maar ik verheug je met mijn kennis
van geschreven letters op een vlak, kil veld'

wolken verschijnen als schaduwgasten

'daar kan ik ook niets aan veranderen
zelfs niet met Ctrl+alt+delete'

het gebeurt misschien
als gisteren en de dag daarvoor
alles in rewind, herhaling, in repeat'


 


 

V e r z a d i g d



begrijp je nu wat ik wil zeggen
niet gedurfd toch uitgesproken
in het helblauw van mijn ogen
waar zilver traande na verloren goud
het is waar, dat lijnen verharden
dieper moeten graven naar dat
waar men het meest van houdt

 


 

O v e r   h o o p



als je niet praat
enkel denkt
in gedachten
van wanhoop

laat mij dan
de kronkel zijn
of die ene fonkel
in een sterrennacht

ik zal schitteren
betoveren
waar jij ontwaakt
zal ik glimlachen
volmaakt

 


 

L u c i d e


de dag legt zich slaperig neer
haardvuur knappert zich
een belofte op deze avond
gedachten kleuren zich roze
wangen versieren
een niet gelachen glimlach
zoekt zich een pose
teisterend verwarm ik mij
aan herboren zonde
niet eenmaal
maar tweemaal
brand ik nog
een enkele ronde

 


 

F o t o


dat mijn zwart-wit beeld
jou tot aandenken zet
mij nog mooier schetst
dan ooit getekend
beleef ik een zondig moment
alleen in gedachten tussen
de kaders van mijn vermogen

 


O p k i k k e r

 



wind treurt tussen
overgebleven blad
de rest reeds verloren
intens liefgehad
takken buigen
vreedzaam
druppelt
gevallen regen
de zon zal weer
gaan schijnen
en jij en ik
kunnen er weer tegen

 

 


 


 

W a t   k a n   i k    b e t e k e n e n ?

 


Wat kan ik betekenen
in het schuiven van aardedonker?
Tussen het schreeuwen van gedachten door
hoor ik enkel de eenzame stilte.

Ik dacht dat ik een web voorzag,
maar bleek er zelf eentje te hebben gesponnen.
En naarmate het daglicht zich verwijdert
springen aderen in mijn ogen.

Bloeddoorlopen is de hindernis.
Onbewogen schim wijst toekomst.
Wil uitkomst vieren,
niet de treurnis.


 


 

P l u k   m i j z e l f


de wereld is zo erg nog niet
herfst zingt nog in zomerzon
wuiven gedachten zonder zorgen
leeft morgen niet vandaag

voor doodgewaand
met stomheid geslagen, verschuil
ik mij niet meer achter fouten
profileer mijzelf als vooraanstaand

dein nu dansend op 't kleurig blad
herinner mij ineens weer getijen
waarvan ik weet dat het leven mij
ook intens heeft liefgehad

naaktgeboren slaak ik mijn zuchten
verouderd misschien, dat wel
geen zorgen, ik leef rimpelloos
zonder kommer en kwel

want de wereld is zo erg nog niet
gedachten verzamelen zich in kleuren
de dag leeft zich alleen vandaag
morgen laat zich niet zeuren



 


 

e i n d e l o o s


jouw domheid
wreekte je op mij
dat ik dát nu pas inzie
jaren later gehavende
omgevormd tot wijze vrouw
pas ik niet meer in jouw naden
altijd te weinig ruimte in jouw hart
je blouse gekreukt, waardeloos katoen
ik kleur nog beter in mijn eeuwige zwart
 

 
 


 

h e t   e e n   o f    a n d e r



ik zal klagen
mag ik wenen
schreeuwen
janken
vanuit
mijn tenen
ik mag bidden
zal ik vloeken
zwijgen
prevelen
verlangen
zoals begeerte
uit verboden
boeken
zal ik hunkeren
gedeelde smart
vreugde delen
vanuit
gebroken hart
jou verrassen
met genomen
stappen
wensen
vervullen
zoals ik
eerder deed
of beter
verder lopen
mijn ziel
aan de duivel
verkopen
 

 


i k   w i l   w e l



ik wil er altijd wel voor je zijn
maar eens, dat zul je weten
komt de dag dat het licht uitgaat,
dit zijn geen loze kreten

ziekte is wreed en vruchteloos
ik heb de strijd nog niet opgegeven
vooruitzichten zijn ronduit waardeloos

ik wil er nog voor vechten, doelen nastreven
maar de tijd die me nog is gegeven
is altijd veel te kort

er is nog zoveel samen te beleven
maar ik sterf nog sneller dan het blad verdort

 

 


 


 

D o o r d r a a i e n


heel de wereld is getuige
ogen, volgend door 't  heelal
waar wij een plaatsje draaien
dolgelukkig of nietsvermoedend
aan de afbreuk van zelfbehoud
sterverschijning zucht hoopvol
op 't vallen van een wens
staren we allen niets vermoedend
naar de ruggen van een medemens
 


 


 

 

F e e s t n i m f e n
 
 
feestend als beesten
dronken van liters wijn
lieten wij niets bezinken
lallend mee in elk refrein
 
doorzichtig onze schaduw
gespiegeld door het glas
verbleekten zwarte kleuren
werden wonden minder ruw
 
voor eeuwig leek verloren, doch
bleek weer met elk ochtendgloren
onze lichamen als nieuw herboren
 
waarin wij nog hoopvol gloeiden
doch met enig glazig verlangen
ons de volgende nacht in stoeiden


 

 


 

W a c h t r i j 
 
 
geen taal spreekt meer woede of onmacht uit
zoals alleen het menselijk lichaam dat kan doen
geen kopzorgen plukken zo kaal als dit zwart gelach
waaronder jij je nóg steeds staande weet te houden
 
de herfst is voor jou veel eerder begonnen toen
ik nog pootje badend van zomerzon genoot,
kroop jij door een hel glimlachend met zelfspot
doch handen biddend zich hoopvol vouwden
 
ik zou voor jou een regenboog willen kleuren
jij voor mij onbekende vrouw, om je in het licht
tijdens het zwartste zwart op te willen beuren,
 
seizoenen wil ik doorspoelen naar één van je
meest favoriet, jou laten verwelkomen
door een liefdevol herinneringslied

 
 
 


G e l e e n d e   s t r o f e
                                (van Vlinderman)
 
 
vervreemding zal bestaan
nochtans in eigen beleving
als sterren die ontwaken op
klaarlichte dag aan een heldere
ijshemel gestraald door zon
                                  (aquaangel)
 
de realiteit zegt echter
dat de aarde maar kan vallen
in de lege ruimte tussen vingers
korrel per korrel op zichzelf
waar werelden elkaar vinden 
                                 (vlinderman)
 

 

 


A p p l a u s

 
staande ovatie
geapplaudisseerde confrontatie
scharlaken verhitte wangen
de ruimte ervaart een holle echo
tegen gesteende gevoelens in
neus verkleurend tot bordeaux
 
handenwrijvend,
knieënknikkend
ooit was het onbezonnen en vrij
inmiddels het hart verloren
aan zinnen beminnen
en woorden gevrij
 
 

 

 


 

V e r f i j n d
 

geblinddoekt zou ik willen beleven
de aanraking van jouw heetste vuur
opdat ik sidderend zou zweven
verlangen
kreunen
tot het laatste uur

pas dan zou je mij mogen bevrijden
zodat ik ongezien heb kunnen raken
wat jij in mijn lichaam deed ontwaken
verlangend
kreunend
intens, zo puur

 

 


F o l i e

 


weet je nog,
van cursief gedrukte letters
in onzichtbare inkt gedoopt
hoopvol om gelezen te worden

ik weet het nog,
niet als gisteren maar een beetje
als het vetgedrukte schreeuwend
om gehoord te worden, vandaag

 

 


 

F a n t o o m p i j n
 

 

sinds de pijn weer is aangegroeid
tot ongekende vormen
beleef ik schetsvertoningen
geen oog meer voor
waarden en of normen
mijn doel is ongekend
van hoogstaand verlangen
ik weet dat jij diegene bent
die mij zou willen aansporen
aanreiken,
mijn op en top vrouw zijn,
zou willen bekronen
 

 


 

O n t w a k e n


 

meer dan eens verlang ik naar jou
bij ontwakend ochtendgloren
mijn handen onzichtbaar dwalen
geurend spelen
beelden vanuit erotische verhalen
waar sappen vloeien
als nectar van de passiebloem

meer dan eens verlang ik naar jou
van woorden naar daden omzetten
geile begeerte
alles bezitten
de macht van hebzucht
ontstaan uit onze woorden
van niet enkel dromen,
maar doen!

 


 


 

m e e d o g e n l o o s


 meedogenloos sleep ik
haren over ruwe grond
trek harder zodat pijn
buiten hoorbaar, ook meer
zichtbaar zal worden

met wraak en kracht die
ik niet als van mijzelf
herken, beul ik door
tot bloed zal stollen

geen ader zal kloppen
misschien alleen nog die
van mij, toeval bestaat dit
keer niet uit, het lot

vandaag nog maak
ik je leven kapot

 


 


 

k r a c h t   v a n   w a t e r
                                   (herschreven)
 

het stof wordt weggewassen
met de kracht van water
stortend uit 'n wolkenbreuk
sporen van de dag vervagen
voetstappen niet meer bestaand
tot een modderpoel gevormd
alsof ik er nooit ben geweest


 



 

W i l d g r o e i


laat mij sterven
doodbloeden
éénjarige zomerbloem
gehurkt in wildernisfantasieën
waai ik richting westenwind

deel zonder erven
niemand kon behoeden
‘zomaar’ niets aan te doen
stuifmeel orgieën
‘k was nog kind

 

 


D e   w oe s t e   b a r e n

 

 

zee omarmt, het leven
het slaan van golven
gaat eindeloos door

schreeuwen rumoerige
meeuwen elkander toe
in ‘n meerstemmig koor

schuimbekken van koppen
mindert in uitgestoken arm
alsof ze willen verstoppen

in deze bevrijdende inham
vele liefdes raken verloren
doch
de zee, mijn grootste vlam

 

 


K e l e n

 


kleine dingen, zoals aaibaarheid
zullen blijven verwaaien in mijn bestaan
zo ook jouw onhoorbare woorden
waarvan klanken niet eens bereiken


hoezeer ik ook wurg om dichterbij
te geraken, verdrinkt de afstand zichzelf
een eenzame dood, vergaat liefde langzaam
geven wij elkander steeds minder bloot

 

 


 

Schaars


ik zie het gebeuren
zelfs gesloten ogen
geven beelden weer
gedreven in krachten

spaarzame momenten
als uitgedokterd romancen
ik ben geen beginneling als je
dat soms nog mocht denken

steel geen ongesproken
woorden van mij
wanneer je omkijkt
help ik je haten

 

 


 

Glashelder

 

Kristalachtige handen
'levend' begraven leven
schreeuwt om aaibaarheid

gedenk me niet in
toekomstige woorden
als je geen betekenis kent

 

 


 

 

o n h e i l
 
 
soms moet ik loslaten
heel even
opdat ik kan ademen
vaker heb ik het koud
meer dan nachtelijk verlangen
zal het niet zijn
maar toch,
de eenzaamheid voorbij
getuigt de maan in liefdevolle blik
beoordeling van het kwaad
was het de duivel
of gewoon ik?
 

 


 

Z e e [ r ]   c o m p l e x
 

De zee altijd even robuust in antwoorden
sleurde ook die keer mijn geweten mee
tegen ruwe, scherpe rotsen.
Wanneer het tij zichtbaar werd
keerde ook ik terug in eigen verlangen.
Wierp een blik richting horizon
terwijl de zon mijn zicht verblindde,
mijn longen zich vulden met zilte lucht,
golfde lichaam met de deining mee.
Het was als in mijn allerlaatste zucht
 

 


 

 

 

J u d a s



kijk mij hier zitten
in het halfduister
ik ween zoals
ik zou mompelen,
een zacht gefluister

ik verdrink niet
in het zoute
tranen dompelen
probeer 'n glimlach naar
een halve maan

sterren bezegelen
fonkelend lot
ademzoekend
gaat de keel
op slot


de nacht blijkt
verraderlijke vijand
zoals hij mij
aan de hand,
tot zich riep

 

 


 

R a g f i j n   v e r b on d e n



vastberaden verken ik de tuin der lusten
herinneringen, weeïg als zoete minnaars
die elkaar verboden verdwaald kusten
tot hartstocht doofde als een nachtkaars

een roos, geurend met beminde doornen
verblindt zonlicht mijn gepijnigd hart
niets dan herinneringen die mij toornen
vurige verlangens branden verward

weer voel ik de hand die mij beroerde
nooit aangetast tot die ene wilde nacht
toen hartstocht me naar plaatsen vervoerde
waar ik smolt onder dit vertoon van macht

spreid ik mezelf open in gewillige zinnen
vloeibare passie versmelten het vocht
tasten vingers de kuisheid van linnen
is het de herkenning die ik telkens zocht


        duogedicht met mistaker, Greta

 


 

' 7 0


Jouw plateauzool trapte destijds
misschien harder dan de nieuwerwetse ooit.
Maar je ogen zijn nog niet bejaard, even
hard en kil word ik aangestaard.


Ik ben niet meer dat kleintje, waar je
vol belofte mee kon doen tot kwaad geschiedde.
Ik ben volwassen, grown up, laat jou
niet meer toe,  zelfs niet tot bespieden.


 


 

B l o e m b e h a n g


Ook al had ik niet meer dan dat
ik in mijn lege hand bewaarde.
Kuste ik toch de morgenzon
bij een liefdevol ontwaken
in stervende eenzaamheid.


Omarmde ik, klemmend vast
mezelf als van elkander.
Neuriede wat onherkenbaars.
Schuilde in een vage herinnering
waarin niet ík schreide, maar het
omzette naar het geluid van de ander.

 

 


V e r l o s s i n g
 
 
verloren heb ik niet
toen aan de waterrand
ik liet alleen ontglippen
zonder normaal verstand
 
ik dacht: ‘t  komt wel weer boven
maar het water was veel te diep
ik kon ook niets beloven
toen jou stem heel hard, ‘nee’,
tot mij riep
 
spiegelbeeld ritselde tussen het riet
als een sluiper in deze vruchtbare nacht
maar ik liet los en de ziel verliet
op deze verlossing had ik lang gewacht


 


Z o e n o f f e r
 

 


is er een plaats voor al mijn kwaad
of leer ik schoppen, schelden en terug te
smijten als jongens van de straat
je spuwt niet harder dan ik kan met venijn
woorden snijden geen openwonden
het voegt daden bij mijn overige pijn
 
jouw klanken klinken bitter schel
vol ongeduld en wispeltuur
negatief gedrag, ik herken het
onderhand nu wel
pas maar op, het kost je
op den duur
 
mijn haat is niet zomaar omgeturnd
tot: zieltje weltevree
met zoentjes en je knuffeltjes
daar red je het nu niet mee
 
 

 


 

Z o m e r z i n n e n
  
 
de zon heeft ons nog niet verlaten
tussen een wolkje grijs
zal het zeker schijnen, de regen
misschien doen laten verdwijnen
 
de wind zucht matig, tot krachtig hard
ik had nog op mijn slippertjes willen paraderen
met zand tussen onze billen
langs de boulevard flaneren
 
tussen het duin hadden wij elkaar kunnen beminnen
als in ons broeierige nest
de woorden zouden als vanzelf ontluiken
tot dichterlijke zomerzinnen

 

 


 

W a t e r r a n d
 
 
Bij het ontwaken van de nieuwe dag,
kwaken kikkers hun vrolijk lied
tussen het kraken van het hoge riet.
 
Eenden schuifelen waggelend aan land
kwekken en schudden met hun veren
hele troepen aan de waterkant.
 
Een ganzenpartij is ook neergestreken
schreeuwen schaamteloos met veel kabaal
slaan met hun vleugels als waakzaam teken.
 
Het water oogt rustig 'n  kabbelend tij,
aan de rand een hoopje kleding,
het allerlaatste restje, mij

 
 


 

V e r f r a a i i n g 
 
 
 
met woorden zal ik nooit vertalen
wat mijn lichaam zich laat verhalen
jouw naam, op mijn lippen
fluisteren in ontwijking
 
ik blus de brand van binnen
en schreeuw zonder enig geluid
zonder spijt zal ik beminnen
de herinnering die nooit slijt
 
het vuur zal altijd oplaaien
nog voordat zinnen worden gespeld
misschien is het de vereenzaming
 
dat ik met een beetje verfraaien
mij met vol overtuiging herinner,
de waarheid die jij me eens hebt verteld
 


 


 

D o o d l o p e n d  
  
 
 
ik wilde wel
maar mijn palet
inmiddels
één kleurenbende
zwarte as
 
verloren
daglicht
benoemde
de nacht
als heerser
 
vooruitgang
bleek
dood-lo-pend
eind
 

 


 

V e r g e e f s
 


verdronken ooit in jouw ogen
waarvan het loslaten gebrekkig ging
wil ik mezelf opnieuw verliezen
tot aan een opvolgende dood
 
kansen liggen niet voor het oprapen
de dagen lijken langer
maar gisteren is reeds voorbij
en het wordt steeds weer nacht
 
ik heb misschien te lang gewacht
de grote vlakte te bezoeken
ik had daar het antwoord wél verwacht
de juiste kansen kunnen boeken
 
geen stappen ondernomen
alleen verspillingen gedaan
alle gelegenheden zijn verkeken
kan het verder doen met zinloze dromen

 


 

k l e u r 
 
 
digitaal verkleurt niet geel
zoals een ingelijst portret
de charme van een oudere picture
heb ik in zilver op de schouw gezet
 
nostalgie schept weemoed
een vlinder in zijn cocon
de mooiste herinneringen
die bewaar ik niet in kleur,
wit of zwart
 
mijn waardevolste momenten
die bewaar ik in mijn hart

 


 

N a c h t s o n n e t 
 
 
Poëzie kent vele kleuren,
deuntjes en heerlijke geuren.
Het openen van gedichten
gaat samen met veel gevoel
zinnenstrelend, traanopwekkend
dát is wat ik bedoel.
 
Een regenboog verschijnt
na ‘n tranendal van regen.
Maar zelfs in de donk’re nacht
kom ik zonneschijn tussen woorden tegen.
 
Een reikende hand komt vaak van verre
ongezien fluisterend in geopend oor.
Sprankelend als ‘t licht van sterren,
schijnt warmte tussen de kilte door.

 


 

S i x - p a c k   &   k u i v e n

 
leuk om naar te wuiven
de jongens met hun six-pack lijven
en met wet-wax in hun
glimmende kuiven
 
als ik bedenk wat die
gasten allemaal kunnen
een homerun rennen
en een harem runnen
 
op het strand showen ze
zich als ‘the man’
om hen heen vele tieners,
van hen ben ik er geen
 
ik ben reeds een dame
van het rijpere leven
geen strak lijfje meer,
alleen grijze lokken om te geven
 
doch mijn hartje springt nog jeugdig
bij het zien van al deze pracht
dromerig kan ik verlangen
naar een niets verhullende nacht
 
mijn leeftijd kent geen grenzen
maar ik haal me niets in het hoofd
gebruinde, strakke, glimmende lijven
hebben wel andere wensen
dan sjansen met oud’re wijven
 


 

s t r o m i n g
 

verstrikt in een zinnenkolk
raken geen enkele woorden
gedachten daarentegen
kronkelen tegen oevers aan
zinderend bonken
in een brekend tij

 

 


 

L i e f h e b b e n 
 
 
Ik schenk jou mijn alleraardigste glimlach
maar wat krijg ik er voor terug?
Niet de lusten, maar juist alle lasten
rusten op mijn rug.
 
Hoe kan het toch, dat deze rol voor mij
is weggelegd?
Het is niet dat ik móet, niemand
die het tegen me heeft gezegd.
 
Maar mijn keuzes gaan gepaard
met eerder gemaakte fouten
niets blijft dan ook gespaard.
 
Misschien is het een optie
om eens op strepen te gaan staan.
Een beetje meer jus zodat ik voel dat ik leef
 
Of ben ik alleen maar naïef?
Want zoals Toon Hermans eerder schreef;
'Liefhebben is meer lief dan hebben.




S p r o n g
 
 
de morgen belooft nog steeds gisteren
waarin ik mij zo goed wentelen kon
de wetenschap dat het weer zal eindigen
is misschien mijn angst van wederom
 
de durfal in mij, was snel geweken
draaide niet meer mee in het rad
vol fantastisch, spannend avontuur
toen gedrag, obsessief werd gebleken
 
was de cirkel nog lang niet rond
waarschijnlijk schept dat mijn vragen
of ik weer met jou zou willen springen
in de diepte van gezamenlijke dagen
 


 


 

 

A l s   d e   d o o d
 
 
de wijzers tikten twaalf
mot sloeg als slagregen
vandaag schijnt de zon
doch ogen volgen dodelijke koers
vanuit de richting waar het begon
 
we kijken niet naar gisteren
treuren niet verder dan morgen
onrust zal zich altijd stapelen
in geboend kersen- of eikenhout
geen sterfbed zonder houtworm zorgen
 
misschien is het beter te branden
een hoogtezon als verraderlijk vuur
na elke stap, tellen we zonden
misschien slaat wel ons laatste uur
 
schoenen pronken opgepoetst
en de kleding reeds opgestreken
een laatste maal, onaangeroerd
het gevaar nog niet geweken
zet de muziek in als slotakkoord



 

alles wat ik had uitgewist,
opgeborgen,
verborgen
kwam in één klap weer boven
lucide stond jij daar als levensecht
aanraakbaar, aanspreekbaar
ik walgde van verboden genot
wilde niets voelen, doch
ik ging beschaamd ten onder
aan jouw pronkerigheid
van mannelijkheid
ik wilde mezelf bevrijden
uit deze ongenaakbare droom
maar verloor ook deze keer
gunde je zelfs dát niet
je bestaat voor mij niet meer
 


 


 

D i e p g e w o r t e l d
 
 
Mijn verlangen naar jou kent
diepuitgeschakelde gevoelens.
Hartzeer gekrompen tot minimaal.
Ik ken geen pijn van afgewezen
wanneer je mij nooit hebt bemind.
 
Ofschoon de prikkel er altijd zal wezen.
Van diepgeworteld koesteren.
Zal ik alleen maar kunnen beleven
wat mij toekomt in dromen
welk de nacht voor mij verzint.
 
 


 


 

V e r k l e u r d e   d o o d
 

De dood, nog nooit zo voelbaar geweest
als gisternacht toen jij jouw ogen sloot.
Je handen heb ik ineen gevouwen
Als een soort van biddend portret.
bloemen geuren in de vazen
die ik geschikt naast je heb neergezet.
 
Zuchten is het laatste wat je deed
jouw woorden staakten ongesproken.
Maar ik dacht te voelen wat je nog kwijt wilde
misschien heb ik aangevuld, voelde jij je onderbroken.
 
Nu na jouw dood, mijn doel nog maar net is begonnen
speur ik alle foto’s af, sorteer ze per herinnering.
Onze jaren zullen vergelen, ingelijst en wel
doorgaan met mijn leven, vormt vast geen belemmering.
 
Misschien had ik al afscheid van jou genomen, die ene keer.
Zat ik mijn jaren uit plichtsgetrouw, in vrijheid, nimmer weer.
 

 


 

A l s   g e g o t e n 
 
 
zeg mij niet te denken
of vormen aan te nemen
mijzelf onwaardig
ik verzin mijn eigen verzen
manipuleer, en investeer
gisteren maak ik mee vandaag
en donker is nog steeds zo zwart
als mijn duister kan zijn
ga niet voor me staan
ik loop toch door
met een omweg als het kan
al moet ik hoger springen
het vallen lukt me aardig laag

 

 


V l e u g e l s


ik geloof niet in woorden
die onsamenhangend rijmen
ontgoochelende zinnen
mijn kracht, leeggezogen
door een trouwloze wimperknip
ondeugd straalt om je heen
zilverblonde lokken probeer ik
te mijden, geen zin, om mij
nogmaals te laten misleiden
geniet je vrijheid,
bepaal niet meer het mijn
ik spreid mijn armen aan de wind
grenzeloos van richting
de vrijheid van een kind
 
 


 

’n  H e m e l s   g e s c h e n k 
 
 
een geschenk,
uit water en lucht gezonden
glittervleugels smeken
volgzaam te zijn
de wind bespeelt
’n zachte bries
opdat wij vlinderen,
fladderen en zuchten
in de handen van
verboden vruchten
 
laat het sappen
vloeien, sproeien
zoetvol smaken
onder ‘n ontembaar verlangen
kleurt de hemel roodgoud
ontluiken knoppen
aan onze horizon
ben jij, nee ik,
mijn, jouw geschenk
waar ik zo veel van houd

 


p a s s e r e n de   p a s s a g e s

 


hun bladzijdes geuren vergeeld in jaren
ongelezen verwaarloosd, maar nu in
handen opengevouwen tot welkom koesteren
letters spelen het verhaal voor ogen
geboeid, prikkelen zinnen gevoelige snaren
 
gekrulde hoeken, passerende passages
leegte ruimt veld, tussen verhalende gedachten
gebonden geeft de kaft mij permissie
doch vergrendel ik bedachtzaam elk hoofdstuk
laat het einde langer op zich wachten

 


 

S l a g r e g e n
 
 
helder dacht ik het troebele te kunnen vergeten
maar de lucht wolkt vragen, zeurende antwoorden
kansloos bevind ik mij ruggelings, de regen voorspelt
verscheurend verlangen, mijn lichaam opengereten
 
door raven die zojuist het kerkhof verlieten
en in mij een gewillig slachtoffer ontdekten;
doch ze kenden me niet, niemand kent me
behalve diegene die ik ademloos verachtte
 
in een nacht als deze, vol geselende regen
als een melancholische melodie zonder eind
stond ik op en net als de raven was jij
degene aan wie ik het nakijken liet
 
         duo gedicht met Mistaker, Greta

 

 


E i n d e   v a n   d e   o n s c h u ld
 
 
‘k zie nu vele dingen waar ik nooit aan heb gedacht
durf nu weer te hopen op een blinkend nieuw begin
ga niet meer blind op wat ik er van verwacht
vervul verlangens pronk als mijn eigen godin
 
grijp kansen waar ik ze eerder liet slingeren
aandacht zal met geile seks worden beloond
we gaan voor échte passie geen geringere
uiteindelijk is het Eros die tot koning wordt gekroond
 
het vuur zal branden als een opkomende zon
vurige blikken, geen momenten om te doven
vanonder mijn japon laat ik mij beroven
 
               duo gedicht met Mistaker, Greta
 


 

O h , 
 
 
donkerte, verlaat mij
ik huis hier niet tevree
neem alles wat ik geven kan
’t zwart, het duister, van alles
heb ik er twee
 
vergezel mij dan
oh, donkerte
neem alles wat ik bezit
hoereer mijn hele leven
penetreer niet enkel dít
 
duelleer met mij, en
speel nog eens ‘n ronde
gelijkspel heeft niet bestaan
verliezend blijkt winnaar,
pronkend bovenaan

 


 T r i a n g e l z a c h t 
 
 
druppels klinken melodieus als getint pastel
huid als doorzichtig zijde onder ‘n zacht gestreel
twinkelen ogen, bevangen in een sprookjesnacht
 
de stem, verleidend tot een groots bravoure
wikkelt het benen, volgen handen dromerig
over oplichtende gezouten contouren
 
ondersteund door het licht van volle maan
galmen kreten, ritmisch doch triangelzacht
besprenkelt hij zijn liefde over haar lichaam
 

 

 


M a g n e t i s c h   b l i k v e l d

 


een einde bleek onverloren te zijn
waar zonnestralen wederom belichtte
minnespel voelbaar mocht herademen
de liefde weer voor samenzijn zwichtte

doch appels vielen steeds verder van de boom
waaronder de stam geen schuilplaats bood
wind huilde in duo mee, mijn klaaggezang
tijdens donder hield verdriet zich groot

magnetisch bleken jouw ogen mijn droom
van over- en – uit, uit – werd weer aan
vormden wij onze overlevingsdrang

maar nu ná jaren de rust is gekomen
afscheid daadwerkelijk heeft kunnen bestaan
kus ik jou alleen nog in onverbloemde dromen



 


 

L e t t e r d a n s
 

letters dansen
vooralsnog vormen zinnen
geen ritme

schreeuw een refrein
zelfs ongeslagen
doen klanken pijn

dagen kleuren pianozwart
geen geloof in nieuwe kansen
niet meer dan toonloos beminnen

 


 

L i a i s o n   e l   d e n t e 
 

Ik bereid het woord met gretig gemak
jij bent de taal waarmee ik kook
geuren en kleuren maken dit gerecht
smaakvol en lekker knapperig vers.
 
Mijn beet zal niet verslappen
wanneer de juice verspreidt
je hebt immers vol en aandachtig
ook een intens dessert bereidt.
 
Teder sculptuur ik de ingrediënten
het kneden brengt ons dichterbij
de honger bevrijdt mijn zinnen
beeld van een sprekende lekkernij.  
 
                           Duo-gedicht met EVR


 


S t a m
 

misschien zal ik met bloemen staan
doornen in lege handen
jouw ogen omarmen nog steeds geen liefde
je houding enkel nog verder bij mij vandaan
 
spraken wij van schepen die verbrandden
blijken onze golven steeds verdrinkend
woorden beleven alleen maar ergernis
bijten wij nog harder op onze tanden
 
jouw zogenaamde hulp zal altijd nietig zijn
deze rol is jou niet op het lijf geschreven
na jaren vol van goede moed
zijn wij enkel en alleen biologisch gebleven
 

 

 


 


 

K r e u k v r i j
 
 
 
de man die mij fronsend aankeek
vertrouwen schepte door enkel
zwijgend te knikken
verbleef in doodse stilte
waarin ik mijn verhaal blootgaf
 
‘het hindert niet’ gaf hij te kennen
reikte daarmee zonder er iets
voor terug te willen
zijn kreukvrije witte zakdoek
waarin ik zijn geur kon ontdekken
 
ik snoot er mijn afval in
van die ochtend
waarin ik mij meer blootgaf
dan in al die jaren
van ongekleed zijn
 


 


 

D a n s e   m a c a b r e


ik kan gewoon even niet schrijven
zoals maanden eerder misschien
het is gaan staken zoals jij je leven
doorademt in een pauze
 
wij hebben gebracht wat we ook gaven
uitgeknepen in elkaars handen, waar
tranen zich een weg wisten te banen
 
wij spraken niet van geheimen
elk lot was onze bestemming
onontkoombaar vluchten in
poging nummer zoveel
 
nu het voelt alsof ik je verloren ben,
niet aan het hemelse
maar aan jouw geestelijk
labyrint
 
hoop ik dat je mijn stilzwijgende
woorden voelt
dat wat ik van jou vond
óók nu nog vind
 
                voor Lieneke
                      fame’i’m gonna live forever
                       i’m gonna learn how to fly



 


 

Z w i j g s t i l 
 
 
al spreken wij niet in woorden
zijn het delen dat ons vertaald
een kus proeft niet zacht
wanneer je verder niet aanhaalt
 
zwijgstil bevredigt
kronkelt de nacht
verder in tweeën
 
verrijst er zonder hemel
een zon
‘t duister,
weg gevreeën

 


 

V e r l e d e n r i m p e l
 
 
in onze verloren harten
zomert het weer
zoeken monden  opnieuw
langs bekende weg
nectar zonder proeven
jouw smaak immers zó vertrouwd
 
maar in onze niet gevulde dagen
waarin gedachten mompelen
zoeken ogen nog steeds richting
doch zijn wij het kwijt en
rimpelt het verleden in onze handen

 


 
 
wat opbreekt zijn herinneringen
maar met gemis toch ook weer leeg
‘zonder verleden geen eindbestemming’
 
dé haat smaakt zoet, wanneer ik jou
strelend in plaats van vinnig beboet
al verdiende je niet beter dan haar
 
zonder zuchten geen adem
waarin ik mij verstik binnen jouw grenzen
mijn geheugen zich opnieuw voedt

 


 
 

 


 

f e i t e n
 
 
somber vergezelt de regen
in looppas en niet minder
mijn kraag kruipt hoger
schuilend in vergetelheid
de hemel gluurt

 

 

 

 


 

P r i k k e l

 
hevig is mijn verlangen
naar kloppend hoogtepunt
maar heb ik al niet oneindig
gedicht over begeerte rondom seks;
een groot begrip
verpakt in een verlangend jasje
zinnen, die beminnelijk schuilen
achter een verderfelijk woord
 

  

 


 

F.H.

 
weer was de dood ongehoorzaam
ongeduldig met het nemen van leven
cru als altijd, in onverschilligheid
vanwaar al die tranen en gebeden
de last blijkt áltijd verloren te zijn
 

 

 

 


 

A q u a a n g e l


Op de bodem van de zee
ligt zij daar, de waterengel
jaar naar jaar haar geheim meedragend
eenzaam tussen schelp en dier.

Wanneer de maan het water kust
komt haar lijf in beweging
als een stormvloed stoot zij ruw tegen rotsen
als straf op vroegere zonde.

De schelpen op haar oren geven
onhoorbaar gefluister uit een ver verleden
als een taal die zij niet spreekt
in angst door duisternis gevangen.

Dolend in het water vol duister
zoekt zij de weg naar zielenrust
waar haar ziel geborgen kan worden
en de zon haar verkleumde lichaam kust.

 

 


D i p p e r   d a n  d i p
 
 
dekbed, vertrouwd doch mijn vijand
verlang ik mij in het ondergronds gaan
mijn huid niet meer dan een omhulsel
wat ik misbruikte en liet vergaan
 
nagels vertonen reeds rouwranden
het gevolg van dieper graven
verschuilt de onschuld
zich achter betraande kinderhanden
 
nooit weer zal mijn lachen klinken
een holle echo zucht wanhopig
ik kruip er dieper in, je zult me
niet meer horen of zien, voorlopig
 
 

 

 


W i n t e r   s l u i p t
 
 
De winter sluipt nog even door ons heen
laat lente wankelen, nog even, het is
weer langer licht.
 
Hoopvol staren wij door ruiten
doch het wit vult nog ons zicht
verlangend naar een fleurig buiten.
 
Klokjes luiden ons stilletjes toe
bedekt onder een restje sneeuwwit kleed
verloren pronkt er nog een hoopje man
gepijnigd gekrompen, om wat het
zonnetje met hem deed.

 

 

 


 

 A d e m l o o s 
 
 
jij was eens het licht
 

met gesloten ogen
kon ik je volgen
ademloos genieten
 
plannen die nooit uitkwamen
wees jij mij tóch de weg
die rechtsomkeer ging
 
zelfs jij bent het zwarte
van mijn nacht
waaruit ik nooit ontwaak
 
 

 

 


 

prijs mij gelukkig
het wilde beest
waar jij naar kan verlangen
bleek ik gisteren weer eens
te zijn geweest
 
je kijkt meer tegen mij op
dan ik ooit bewijzen kan
niet te zijn
vervul ik wrede verlangens
vol hebzucht
 
laat het los zou ik zeggen
waarschijnlijk ben en blijf ik
voor jou Utopia
zijn álle verhalen
een op zichzelf staand gerucht

--
 

 


H e t    z i l t e   n a t

 


 
waar ik dacht schelpen te vinden
vond ik alleen maar gruis
liep ik meters voor jou
terwijl jij nog eens omkeek
 
 
het vasthouden wilde niet lukken
er was te veel om van te houden
trok de zee verkeerde winden
te vinden
 
 
en nu de tijd haar tranen huilt
als verloren schipper op zee
blijk ik meer dan eens te wankelen
zo net op de rand
 
 
kan alleen maar verlangend wenen
van jouw uitgestrekte hand
 

 


P a r e l e n d   o b s e s s i e
 
 
parelend in tranen van obsessie
verwarren woorden door verstikking
je had net zo goed mij kunnen slaan
zoals ik gewend ben te ontvangen
had ik dát wel kunnen dragen
 
maar dé afschuw uit woorden
stenigen een gebroken hart
had ik beter moeten weten
ál wat ik verwacht
kan ik alleen maar zelf geven
 

 

 


 

h e t   j o n g   e n    ‘n   v i s w i j f
 
 
geen van mijn rimpels zullen verdwijnen
zoals een glimlach die verassend vervaagd
mijn pijn zal altijd tergen doch slijten
zoals eens de liefde zich liet scheidslijnen
 
maar neem mij als ik ben en blijf
of niet, zoals laatst die ene keer
toen alles rook naar woede
ik blind van vertrouwen ontaarde in ‘n viswijf
 
vooralsnog verblijf ik in heimelijk verleden
alles glad opnieuw vertrouwd
verjongd zal alles doen lijken
wanneer je jong hebt getrouwd
 
 

 

 


 

S p e e l r u i m t e


 
En ál wat je had
heb je verloren zien gaan
overschaduwd en bedolven
onder mom van het lot
 
of speling er van.
En ál wat je mist
heb je niet voor lief genomen
ondankbaar verloren in complot.
 
Gebruik niet meer wat nodig is
pak niet alles wat je geeft.
Soms is het alles, vaak niets
wordt morgen reeds geleefd.


H o o p
 
 
ik wist
toen ik jouw tranen zag
de vertwijfeling van willen
en kunnen
 
ik voelde
toen jij woorden sprak
van liefde die je voelde
doch geen raad wist
 
ik hoopte
dat mijn gevoel
de juiste zou zijn
jij na voorzichtig ontwaken
 
zou voelen
wat ik wist
en hoopte
 

 


 

 

Z a a d b e s t u i v i n g

 
Als mijn kut lonkt en zegt mij te nemen.
Neem me dan niet te grazen zoals je denkt mij te kennen,
maar liefkoos mij zoals je alleen, jezelf óók zou verwennen.
 
Als lijk ik die hoer die jij zo adoreert,
misschien wel waar
doch het beminnen verleert.
 
Mocht je denken dat bij het slaken van zuchten
mijn top al is bereikt.
Dan moet ik je teleurstellen, het vergt toch
iets méér dan minder tijd.
 
Je galoppeert wanneer je mij zaadlozend bestuift.
Met een voldoening van-heb-ik-jou-daar.
Machoman laat ik je helpen uit je dromen
als je beter oplette, dan was het niet jij, maar ík maakte het klaar!
 

 

 


M a s k e r

 

 
 
ten einde raad weet ik te weten
wat gedachten denken te dromen
 
verschuilen grijze wolken
om asgrauw te voorkomen
 
lippen zwijgen waar geschreeuw
eenzaam onopvallend fluistert
 
sluiten ogen voor de donder
schichtig in verdwijnmodus
 
opereer ik

 

 


D o e m d e n k e n
 
 
ná een nacht als deze
is het logisch dat je dwaalt
onzekere herinneringen
bewaard onder een stoffige
toekomst
 
het zien, voelen
en soms weten
bekrachtigt het vermoeden
zal angst voor altijd
doemdenken
 


 

Z a n d s t o r m


zand snijdt vormen

meeuwen azen naar een

uitgereikte hand

krachten bundelen

met de natuur

verlangen buigt zich

té ver over de rand
 

 

 


 

b u n g e e   j u m p

 
ben verdwaald
in niet wat het geweest is
in haakse woorden
negentig graden door
de bocht
een bungee jump
aan gebroken touw
 
de onbegrepen taal
vanuit mijn hart geschreven
beelden gebroken spiegels
in de scherven van geluk
schrijf ik herboren tranen
begeleid in gedachten níet
het kind, maar mijn verloren vrouw


 

 

 


 

t o r e n h o o g



ik stoot tegen het torenhoge
verlies kracht door obstakels
géén vertrouwen in het uitzichtloos
 
vertel mij
de juíste woorden
wíjs mij
de goede weg
zonder te verdwalen
in verloren oorden
 
een beetje houvast is wat
ik nodig heb óf misschien
heb ik het nooit herkend
 
het leven heeft veel meer
genomen dan gegeven
álles ingepakt
en niets verwend


   

 


 

N a c h t g e z i c h t
 
een zwarte donkere deken
omarmt steeds het duisterloom
verschuilt maan achter wolkenflard
waarin ik nachtrimpelend wegdroom

drupt kraan in gootsteen
als een ongedroogde traan
kruipt ziel nog dieper in donkerte
echoot verlangend mijn naam

begeerte rondom het nachtelijke
blondeert weer in het ochtendlicht
ik mij voorspellingen herinner
waarin toekomst verscholen ligt
 


   

 


 

K r a c h t i g   w a a r a c h t i g
 
 
verwikkeld in ’n web vol woorden
het níet uitspreken van wat je voelt
lees ik jouw door regels heen
begrijpend wat ermee wordt bedoelt
   
handen droom ik nóg, over onhandelbare
delen heen, verloren onschuld, gevonden
én verloren met enkel woorden van liefde
 
niet moeilijk mij te vinden
met de sound van de nacht
de klank van schor schrapen
het ruwe, dát is de kracht
 

 

 


 

R i j k - d o m 
 
 
je spreekt van liefde
zelfs in al je koppigheid
vertaal ik jouw woorden
van geilheid en verlangen
waarmee je jezelf bewapend
 
wat bazel ik van stommiteiten
het doorprikken van schilden
nooit eerder prees ik rijkdom
maar nú weet ik het te verstaan

 


 


 


O n g e b o r e n   p a r t i t u u r
 
 
 
in de mist onsamenhangend
als het druppelen van vochtige parels
waan ik mij de illusie
nooit geboren te zijn
proef ik vruchten
als nooit gegeten
jouw klanken als een
nooit beluisterde partituur
pijn als niet beleefde angsten
geen afgunst voor waanzin
als ongeborene blijf ik puur
ongekend van verlangens
in nooit verdwaalde liefdes
eenzaamheid niet opgevuld
geen wensen voor het late uur
nooit meer vragen ingevuld
géén enkele nacht meer overstuur


 

 

 


 


V o n n i s


 
warme klanken, de roes van jouw stem
waanzinnige tijden, voorbereiden van doel
betreurend verlangen alsof reeds verloren
de hete strijd van het níet willen, toch doen
 
gedompeld in liefde, maar verdronken in seks
de waarheid opgesierd door vele leugens
maakte wankel en ademen complex
 
het leven benoemde mijn daden
fluisterde van doorzetten met elk vermogen
werd ik enkel alleen dóór mijzelf verraden


 

 


 


‘ w i n d s t r e k e n ’
 
 
 

nog eerder dan wij negeren
weten wij dat ons lot bepaalt
vaker dan nooit weer
zijn onze woorden
meer dan achterhaalt
 
de wind maakt streken
minder erg dan wij oprecht
van liefde spreken
dooit als het zal vriezen
blijkt de liefde zéér onecht
 

 

 



 


M r .   G r e y

 

weet je wel hoevéél bloed je zuigt
en snijdt zonder te buigen
liegt soms zeer overtuigt
vertrouwen aan duigen

het grijs ziet soms zwart voor ogen
waar de dag ook in nacht verdwijnt
stapelen zich problemen
je weet wel, van die torenhoge

waar is de vreugde in je glimlach
je woorden lief gefluister
mokkend begin je aan onze dag
geen warmte in het duister

gebogen duik ik onder
in mijn eigen medelij
kan slecht tegen gedonder
verscheurt de liefde zich met mij
 



 


 


H e d e n d a a g s e    v e r l e d e n t i j d

 


geluid brengt mij daar
terug in verlangen
wat jij aanvulde naar behoeften
dwalend door mijn donkere gangen

ongemerkt vielen wij in diepte
waar ‘t duister zich vermengt
kleuren tot stilzwijgen maande
onze liefde zich verlengt

gebundeld in handen
verstrengeld in angst
loslaten werd houden
zo duurde het voor ons ’t langst

maanden bedreven wij in haatliefde
van bange dagen en vroege dood
van dierlijk verlangen
en letterlijk met de billen bloot

nog altijd zul je in mijn dromen dwalen
regen tot parels laten blinken
begeerte laten strelen
onze liefde als muziek laten weerklinken

            ..is de toekomst niet het heden van het verleden?

 

 
 


O n d e r h u i d s

 



de nacht voortdurend in beweging
op zinspelende gedachten
in onrust verborgen

mijn onderhuidse tinteling
bevreesd het toekomstbeeld
van eeuwigdurend tot beperkt

niets meer, wordt minder waar
zolang het duister het zicht
verfijnd tot ongekende passie

voelbaar tot in elke vezel
waarachter mijn nóg bloedend hart
zich steeds troostend verschuilt


 


 


D a g e n   t e l l e n   l a n g e r



zelfs in draf
vertraagt de snelheid van denken
open je ogen voor het sluiten
de toekomst tocht
zelfs vooruitzien dooft je blik

je zou willen raken
dát wat je altijd mist
de onrust brengt twijfel
heeft het leven zich vergist

dagen tellen langer
wanneer de maan uiteindelijk verschijnt
dooft jouw verlangen
dat met ondergaande zon verdwijnt
 


 


 

Top