Angélique kersten  | Arnhems Blond

Foto's Angélique Kersten & Geert van der Wijk


 

l a x e r e n d   h a r t


laat je me achter
tussen het verterende blad,
windsongs en laaghangende nevel
 
laat me verdwijnen
gezeefde gedachten
leegloop, laxerend hart
 
de nacht draagt
niet op handen in
eenzaamheid blindstaren
naar glittersterren
ik was de maan
de zon van iemands leven
opgesplitst in delen
gelijmde resten
om achter te laten

 

 

 


 

n a g e r e c h t :


verpakt in een jasje van mousse
schuimt de fluweelzachte sensatie
verleiding likt tongen rond een kersje
een ultieme traktatie

 

 


 

h o o f d g e r e c h t:


Main course
Off course
vergeet je tafelmanieren
verorber met huid en haar
samen bewegen, als dieren
King Size
Big steak!
zonder break

 

 

 


 

v o o r g e r e c h t :


kriebelend vind je de weg
een terras vol naaktheid
opgediend aan ogen
vol gulzigheid
betast jouw smaakzin
een vol reukvermogen,
de ritmiek van geilheid
trotseert het vocht
inhaleer warmte
op de golven van je tocht
smaakvol voorbereid
de nagenietende kalmte
 

 

 


 

a l f a b e t h o e r e n


heel even raak je mijn woorden
met je lippen als een halskusje
en ik snik losgeslagen zinnen
een opsomming van herinneren

in donker ontwaakt mijn hart
dat ronddoolt tussen flarden
flitsen opdringerig escaleren
als alfabethoeren die een

titel prefereren, hoogstandjes
uit de lucht gegrepen vormen
tintelt de aanraking verder voort
 


 

 


 

z o u t z a n d



er is geen dag voorbijgegaan
dat de zon niet rozerood kleurde
stranden er verlaten bij lagen

ik danste op voorzichtig herinneren
uit de maat van verlangen
een silhouet van mist
vormde jouw contouren

ik weende zoutzand
mijn hart verbrand
vervelt de liefde
zonder jou

er zijn dagen voorbijgegaan
maanden zelfs, en een jaar
zit er aan te komen, opgekrulde
bladeren herfstrood verkleurd

een nieuw seizoen
er is niets meer
dat naar jou geurt
 

 

 


 

w u r g k e t t i n g
 
 

beelden wikkelden zich om de hals
wurgketting voor de vergeten morgen
waarop jij verdween in het luchtledige
ik je stem riep en de echo verstilde
 
ik kus nog je naam, als een schreeuw
van wanhoop, ondergesneeuwd
om bij dooi tevoorschijn te komen
als melancholie die verschiet op crème
 
handen verkennen deze nacht
in onze aangewakkerde plooien
stik ik van verlangen naar het spel
 
jij liever de achtergrond begeert
in stilte jezelf verkent, de drug
boven mijn lichaam adoreert
 

 


 

I n s o m n i a
 

bewegingen verdraaien als schaduwen in een gordijnlus
vervagen tussen opgeslagen stof waar gevoelens huizen
als opgespaarde centen in een oude sok weg gekust
 
heldere contouren zichtbaar in een streep maanlicht
en in denkbeeldige sterren verlang ik het ruisen
retoucheer verleden, verheerlijk een vaag beelddicht
 
kartelrandemoties wijken uit voor soft tone kleuren
schimmen sterven af naarmate ochtend nadert
zich prepareert om de herinnering op te fleuren


 

 

 


 

R e s t v o c ht   (Emmerik | Frank Herzen † )


woorden lijken te zijn verweven
met aardekleur en transparant wenen
een zoekgeraakte dag wolkt rusteloos
tussen onverstaanbare zinnen
waaraan jij nog leven had kunnen geven
als jouw inkt niet was opgedroogd

een spons met achtergebleven
verzen en verhalen
druppen uitgeknepen;
restvocht
wat in onze zielen huist

 

 

 


 

J e   b e n t   g e w a a r s c h u w d


mijn lichaam vol van zinnen
wiegt rondjesdraaiend tot
de nacht mij zal beminnen
in het schijnwerperlicht
van jouw verlangende ogen
signeer ik jou een gedicht
nog voor dat je hebt bewogen
 
geen moment is overtollig
wanneer lippen vurig smelten
in de oase van mijn warmte
kus jij mijn wollige dijen
ik volsta mijn kwaliteiten
van obscure tot poezellief
en als het je niet bevalt dan is het
de bovenstaande titel te verwijten

 

 

 


 

I J v e r z u c h t i g


 
leegte paradeert uitdagend
en ik schud fictief handen
signeer letters die ik
nooit eerder schreef
vertel over verhaallijnen
waarvan ik alleen maar
nat mocht dromen
jaloezie, om niet
gewonnen trofeeën
stampvoeten en knarsetanden
om al die mooie beelden
maar niet door mij verzonnen ideeën
 

 

 


 

V r e e m d e l i n g


 
je weet me altijd te vinden
tussen zoekgeraakte woorden
mijn weergegeven verlangen
dat nooit vervaagt in duizelwinden
 
je hebt geen naam, geen spiegelbeeld
je lippen raken een zoekgeraakte
warme zoen verborgen in regels
en het vlindert ergens tussen mijn buik
 
en jouw schrijven in

 

 

 


 

S p r e i d b e d
 
 
donkere aarde streelt sereen
een lichtstraal likt door kieren
het blad vergeelt zijn dagen
een spreidbedje om mij heen
 
een laatste zomerschreeuw
verloren kracht in vele winden
razend gieren op de koude voorbode
waarin ik weeïg verder zal ontbinden

 

 


 

L a c u n e
 
 
ruim de verwarring bij elkaar
een bladerhoop verkleurde herinneringen
verzwaart het beeld
 
de leemte die het achterlaat
verpulvert zich door de dagen
breekbaar als de verloren zon
 
 


 

V e r z o e k
 
 
speel met gedachten
heel even maar
 
van licht aanraken
ontdek de muze
ronding in handen
 
verlang met je lippen
heel zacht
 
waar ongesproken
kalligrafische contouren
in daden verschijnen
 
speel je met ogen
diepzinnig
 
steel met passie
de orgie uit mijn lijf
 


 

 


L a a t   m e . . . .
 
 

laat me dromen
van vrij naakt zijn

waar vleugels vlinderen
rondom opwindende nectar
 
laat me langs flinterdunne
goudenstralen zweven
 
regenparels likken
transpararant op jouw huid
 
verrukkelijke zonden
herbeleven in hogere
sferen
 
op crêpepapier
woordenverlangens
uitschrijven met liefdesinkt

laat me. . . .

 

 


S i l h o u e t
 
 

verpakt in maanlicht
zal ik sterren flaneren
beweging ophemelen
schaduwen wegtrekken
en mezelf presenteren
 
op een zilverblaadje
met tong uit de mond
een chocoladetepelhof
oplikbaar voor nieuweling
geneugtevol kreunend
 
hoereer ik mij als een
volwaardig hebbeding
wanneer licht zal verschijnen
ga ik onder bij zonsopgang
mijn silhouet zal verdwijnen

 

 


V e r b r a n d i n g
 
 
 
je

dwaalde wolkjes
doorzichtige
 
je weet wel
ik kon je niet meer raken
 
zelfs geen woorden
die door de ruimte heen
leken te sterven
 
mijn hart
verzwaard vol gedachten
ingezamelde souvenirs
 
draaide ik om
in rook op te gaan

 

 



I k    w i l    z e g g e n   h o e v e e l    p i j n    h e t   d o e t.
 
 
ik had al afscheidgenomen
in de meest donkere nacht
kneep eens in jouw handen
ijsklomp aan herinneringen
bevroren bloedlijnen, zelfs
de glimlach was gestorven
rond jouw zwijgende mond
in mijn nachtmerriedromen
hunkerde ik naar beelden van
wat jou aan het leven verbond
 

 


O c h t e n d g l a n s  
 
 
de nacht vloeit naar morgen
hunkeren loom warme lijven
een opgerolde japon
laat bloem haar bestuiven
door zijn glanzende kop
de dag laat zich schrijven
zuigt aarde haar winst op
krult blad zich naar de zon
fluiten vogels zonder zorgen
wiegend op de hoogste top

 

 



A n n a l e n
 
 
wind zingt fluisterwoorden
angstgieren druipen
huiswaarts waar fakkels doven
onder een zware tranenval
 
een kleurenboog voegt zich
met elan toe aan de nieuwe
herinnering die komen gaat
en ik geschiedenis kan dromen
 
zoals jij vliegtuigjes voor mij
vouwt

 
 

 


N i m b u s
 

de wind verandert van richting
maar staakt bij dit vooruitzicht
alsof zee niet brandend verder rolt
schuimkoppen op lijken te lossen
tot een handvol nietszeggend water
 
zout opdroogt tot grote brokken staken
in mijn keel waar ik mij in tranen verslik
als woeste branding niet uit woorden kom
verblind raak door een wenkende aureool
wartaal spreek met een langdurende kater

 

 



A S
 

stoutmoedig
pakt de dood een jasje
uit de kast
er is geen keus
in kleur of stof
tot as zal vergaan
vermenigvuldigen
met soortgenoten over
strooiveld

 

 


D r o o m w e r e l d
 
 
zwart omlijnde de dag van gisteren
woordenroofvogel werd gezonden
ik naar eigen zweefletters staarde
en mij een oor aannaaide door vele
toverspreuken en feeërieke zinnen
 
ik belandde onder rulzwarte aarde
maar mij in werkelijkheid omdraaide
onder beleefbaar rood gesteven linnen
ik kriebelteende met glimmend gelakt
en jij voortbewegend onkruid zaaide
 

 



Z o l d e r  o p s l a g
 
 
ik was een tijd in de leegte
onzichtbaar tussen koelte
waar zee rustig voortkabbelde
als in meditatieve momenten
 
 
verloren in gisteren
als een zacht omhulsel
wat losliet, kwijtraakte
tussen het nietszeggende,
als zolderopslag


 

 


N i e u w e   m or g e n
 


licht schijnt niet anders
dan gisteren
een beetje minder fel
misschien
maar warmte
is nog te vinden
 
hier in jouw afgesloten
wereld
waar alles
draait om getallen,
metingen en formules,
kansberekeningen niet
uitgesloten
 
doch winst wordt
er hier niet gemaakt
lucht alleen maar
ijler
gesteven linnen
luidt een nieuwe morgen

 

 


H a k h o u t
 
 
 
gedroogd hout
versnippergedachten
flinterzinnen koud
in mijn broze handen
 
geknielde dagen
valt storm in beraad
verwelken vragen
in verlichtende nachten
 
de schuifelvoet ademt
op klinkende straat
maanlicht als gids
het is behoorlijk cliché
 
volgzaam geweten
en de zonnestraal balsemt
een van ons twee
 

 


G r a n d   C r u
 
 
 
naaktheid achter jouw porseleingezicht
 
een verzegelde glimlach in gedachten
 
waaruit wij moed verzamelen
 
troosten met verzachtende beelden
 
van wat eens herinnering blijft



 


B l o e d b r a n d e n
 
 
 
je woorden kreuken
als een oude krant
knisperen in mijn ogenvuur
verlaat ik je opgeheven hand
 
verpulver jou in lettergrepen
laat angst tot as wegglijden
banden zullen in rook opgaan
om mij uit het harnas te bevrijden


 
 

 



Z w a r t e   b e e l d e n
 
 
dagen grijzer
en verleden raakt steeds
verder weg
 
eens vastgezet
op zwart-wit
vergeeld nu niet ingelijst
 
kleurt op in
vergrijsde herinnering
 
de rand van afschuw
verzwijgen wij gemakshalve

 

 


H e l l o   w o r l d



angstideeën verschuilen
draperieën vanuit
pessimistisch denken

kraakt het ongepelde noten
jouw wereld naar de kloten
(laat mij ook eens boos zijn)

poetisch tafereel achter
gesloten deur
geluid uit schreeuwende keel

leven op een crème wit papier
inktzwarte vlekken, zie het hier
(laat ik mezelf ook eens zien)

 

 

 



zomer
zwaluw in de morgen
zengende hitte
zwoele nachten
zonnebrandzorgen
zeer amusant dikbuikige recreant
zwemmers in de branding
zoeken schelpen op het strand
zomerzotheid, vlindervrijheid
zinderend één seizoen lang
genieten van zonsondergang
 

 

 

 


V r e e s t e r r o r i s t


zeg dat het niet waar is
je lach van korte duur
ik wil je niet herdenken
op dagen maar een
frisse morgen vieren of

een zomer
een stuk of dertig
nog
nee, minimaal
toch minstens

 

 


M a s o c h i s t


hoopvol
spelen gedachten
de hoofdrol
is toegezegd
aan jou,
wind uit het zuiden

het eenzame wachten
voorgoed
stilgelegd
zal de koorts
hetzelfde zijn

vlammende hitte
opvolgende stuipen
onverstandig
maar voor jou
zal ik
áltijd kruipen

onderdanig zijn
orgasmenrefrein
hartenpijn

ai, wat fijn

 

 


H o t e l d e b o t e l



ik zal afgezaagd zijn
als ik weer zal schrijven
over de verlangende nacht
en de eeuwig durende pijn

ik weet ik val in herhalingen
als het jou aangaat
klopt mijn hart nog steeds
opgejaagd

hoteldebotel
dat was te verwachten
gemanipuleerde dolende ziel
in kattenzwijm, overhitte nachten

bespeel nog eens
mijn meest gevoelige snaar
laat me kronkelen,
kirren, fonkelen

toe dan,
nog een keer,
dan is het klaar


 

 


L e g e   z a l e n



ik laat niets of niemand heel
mijn ziel tart, de geest is ziek
ik speel op eigen toneel
een hoofdrol zonder publiek
geen welverdiend applaus

het doek laat zich niet zakken
elk scenario flink uitgedost
voor mij de meest succesvolle
zo speel ik uiteenlopende rollen

ben ik dan wel écht, vraag jij je af
of ben ik een vermomd acteur
zonder script of een grimeur
ja, dat ben ik, en staat het je niet aan
dan is daar the exit, het gat van de deur

ik speel gewoon het liefst alleen
mijn eigen eindeloze monoloog
geen tegenspraak gewenst
vandaar dat the cast verdween

 


G e s c h [r] i f t



mijn ervaringen gespiegeld
in smetteloos schrift
miskennend
overgebracht door derden

laat mij, mijn adem zijn
leven in dat wat mijn is
raak me niet met geschreven
woorden of de holheid ervan

 


 


N e v e l e n


druppels die het frisgroene blad zoeken
verloren raken tussen de harde grond
opgezogen door een gulzige aarde
waar gemis zich opzettelijk wil wraken

waarheen glijd ik als het wit zich spreidt
met openarmen ontvangen zal en mist
niet meer optrekt en waarin ik
mezelf verleid om te verliezen in de kou
 

 


L i p l e z e n



waarheen zijn onze dromen wanneer
monden nog vastbijten in verlangens
vlinders vergaan
vleugels verliezen
lam neerstrijken

lippen beroeren nog die van jou
als toen hebzucht haar bezit nam
van ons verdachten maakten
wij draaikonkelden en van sterren
droomden en vielen als nooit tevoren

ik heb je woorden weer gekust
daar was moed voor nodig
maar waar lippen denkbeeldig
nog steeds zo kunnen beroeren
zal waarheid zich durven tonen


 


H e r m e t i s c h

 
ik zal je gedachten verlaten
de tijd, onze enige vijand
en voor altijd mijn vriend
zet seconden om naar uren
welk onze liefde verdiend
slenter door hobbelige straten
met elkaar fictief aan de hand
jaren om verder op te borduren
stappen, dommer dan verstand
zullen we elkaar er om haten
of eeuwig strijden tussen helderziend
werkelijkheid vermijden, het schip
verlaten, nog voor het is gestrand
 

 


O n s t u i m i g
 
 

het maakt niet uit
ik vind je mooi
wat je ook beweegt
ik dein mee
golf in je binnenste
de storm omzeilt
zichzelf en omgekeerd
 

 


O v e r g e v e n
 

naakt als jij
ontkleedt bloot
schaarser
 
een ziel op de tocht
ik vang je in mijn wind
 
omhels je met dijen
geklemde zaken
incasseren


 
 


B a n k z a k e n
 
 
 
verhit mijn lijf met brandende ogen
schuif mij ver van de plek van de rand
ik wil wel vallen doch alleen met jou
en op mijn rug wil ik je warme hand
 
kriebel, friemel tot het zwijmelt in mij
extatisch, fantastisch, hilariteit alom
als spieren beginnen te krampen, draaien
wij ons gewoon lepeltjelepeltje om
 

 


S c h a d u w t o o g
 
 

er zijn geluiden
niet jouw stem
maar die er aan denken
tijden van samen zijn
of aan die eeuwige breuk
 
er zijn beelden
die vormen
in diverse stoffen
zoals ik je
nodig heb
 
er zijn visioenen
maar zoals in elke herinnering
lig ik tussen vlinders te wachten
op een stoute beroering
die nog voor het licht
haar kleur verliest

 


 


E i n z e l g ä n g e r
 
 

ik weet nog hoe lang je bent
precies de hoogte van mijn mond
je handen ontdekkend reizend
en altijd belandend op mijn kont
 
je kus, een hele speciale
met stipt onverslagen op nummer één
zoals de cliché het altijd onderstreept  
zoals jij was er geen een
 
maar elke herinnering is doorzeeft
met onze eeuwigdurende twist
we hebben goed en slecht beleeft
uiteindelijk bleek jij een individualist

 

 


D o o d z o n d e
 
 
 
je deed het weer
en haalde mijn
gedachten tot leven
smolt suiker
tot stroopbenen
 
speelde een deuntje
met krassen als op
een langspeelplaat
 
dikwijls bleef je hangen
op mijn lippen waar
je gulzig mijn woorden
verslikte
 
ik alleen nog echode
en langzaamaan in
ons verstikte

 

 


O n d r a a g b a a r    z w a r t
 


Ik dans steeds eenzelfde ritme
zodat ik de pas niet verlies of op eigen tenen trap.
Bewaar me voor een allerlaatste dans
die ik jou graag schenken wil en
 
bloedwijn drink en onweerstaanbaar zijn.
Wreed, dat een zonovergoten dag verdwijnt
in ondraagbaar zwart waar dromen op de tocht
verschijnen en tranen breken in nepparels.
 
 
 

 


N e t e l i g
 


terwijl de lente al lang begonnen is
schemert een winteravond in ogen
angst voor winterse stormen raken
wij bij voorbaat al ondergesneeuwd
 
in geel verkleurde herinneringen
ligt alles opgestapeld om vandaag
witgewassen voor ons tentoon
gespreid weer te mogen verschijnen
 
hoe cru een zonsopgang kan voelen
wij onze zongebrande snoetjes zien
doch onze harten onderkoelen bij de
aanblik van jouw krijtwitte dagen

 

 


P u l v e r i g


 
geloof me er zijn dagen
meer zoals deze zullen wonderen
schuiven door het mulle zand
op zoek naar blauwe lucht
stenen zonder ooit gegooid te zijn
krassen in de ziel
vergaap je niet, ik ben gewoon als jij,
wij samen verbonden
door zonlicht dat soms hallucineert
tussen wuivend blad
waarin je verstaat tussen het ritselen,
lichamen beamen
wat we zo intens hebben liefgehad
 
 

 


W a t e r v r e e s
 


wanneer ik je niet meer kan zeggen
dat ik van je houd omdat lippen
zwijgen, de toestand onvertrouwd
 
wanneer storm stil is gaan liggen
en wij alsnog blijken te verdrinken
grijp mij dan nog eenmaal vast
 
en ik verdrink met je mee
 

 



Z w a r t e r


 
je gezicht omlijnd in
porseleinen herinneringen
handvat zonder grip
breekbaar tot vaal gekleurd
 
herbergen schuifelgedachten
in onbewoonbare gebieden
vol diepe afgronden
zwarter dan doodscliché
 

 

 


V a l l e n
 
 
de berm, een
steile afgrond
ik viel voor jou
als een blok
 
grassprieten
kittelden ons naar
diepten
en even welkome
hoogtes
 
beetgaar aten
wij gretig
hebzucht
viel ons
rauw op
ons dak
 

 


L u c h t k r a a g
 
 
ik groeide uit ons passe-partout
jij was al van kleur tot zwart-wit
vergaan in al onze kleurrijke
herinneringen die we opspaarden
als jaren die er niet meer toe deden
 
de zon cirkelde rond onze warmte
die we beiden zo nodig hadden
maar na elke regenbui
verdampten wij in onze eigen kring
 

 


S t e r r e n n a c h t
 


warme lijven
sidderen
zuchten na
 
vochtdruppels
smeken
een ronde
 
verder
dan wij
zullen
geraken
 
verlicht
de maan
haar eigen
sterrenhemel
 

 


L e n t e m i x
                  (sonnet)
 

wind laat bloesems zweven
in een lentemix vol kleuren
zinnenprikkelende geuren
haalt vlinders weer tot leven
 
een blauwe rivier kleurt uniek
tussen borders vol met bloemen
ik kan ze niet bij namen noemen
figureert bloembollenmozaïek
 
prikken aan zijdezachte rozen
dartelen tussen het klavergras
rode konen bij bollebozen
 
ranja met een rietje op het terras
twinkel ogen doen laten blozen
neuriën dat het altijd lente was

 

 


H u i d h o n g e r
 
 
 
kruip in de kom van jouw pijn
flaneer mij zwierig in de rondte
alsof de maan onze bodem is, sterren
sfeervol licht en adembenemend zijn
 
ik brand langs je klamme hongerige
huid, lik wonden en omstrengel
de flanelzachte poses luid
 
jij weet mijn hebzucht te stillen
leest mij als een boek in braille
omvat mijn rijkelijke aanwezigheid
duwt handen ritmisch in mijn taille
 
                          (titelwoord: van excalibur)

 


N e t e l i g
 


terwijl de lente al lang begonnen is
schemert een winteravond in ogen
angst voor winterse stormen raken
wij bij voorbaat al ondergesneeuwd
 
in geel verkleurde herinneringen
ligt alles opgestapeld om vandaag
witgewassen voor ons tentoon
gespreid weer te mogen verschijnen
 
hoe cru een zonsopgang kan voelen
wij onze zongebrande snoetjes zien
doch onze harten onderkoelen bij de
aanblik van jouw krijtwitte dagen
 
 

 


V a n   d e   d i e r e n   k o m e n   w i j
 
 

ik keek in je ogen
las mijn eigen zinnen
je spreekt geen eigen taal
een levende na-aap

 

 

 


S t a r
 
 

nooit eerder
raakten onze
woorden
 
zinnen beminnen
beginnen wij
een toekomstnacht
 
sterrenhemel
verlicht,
verdwaal ons
over
 
contouren
van lichamen
maak mij
een eigen ster
 

 


P l u m e a u    g e d a c h t e n
 
 

het zal mij terugbrengen
naar jaren, herinneren
naar wat eens is geweest
een klein laagje stof
doen verdwijnen
 
wanneer ik in ogen kijk
spreekt daar dan de diepte
van besef en zullen onze
harten raken waar we
ooit verteerden
 
terugbrengen
jaren naar
wat eens
is geweest
 

 


 

D e   n a m i d d a g   v / h   l e v e n

 
 
Elke dag is nog steeds als de ervaring die we het liefst vergeten.
Nog steeds, de smaak van bloed, stilaan geronnen tot een korst.
De klinkers nog even hard, schoenzolen al vele malen versleten,
hebben we ons nieuwe aangeschaft en meer van zulk soort. Het
mocht niet helpen, het is blijven hangen als een deuntje dat stoort.

                 

Terugrennen naar die ene zomer, weer kind zijn op blote voeten, en
met naakte buiken tot in het water, waar we in elkaar verdronken. Van
alles mogen ontdekken, een toekomst zonder moeten. De gedachten er
aan zijn zoeter dan naderhand onze gekromde ruggen. Ik weet wat je wilt
zeggen; elke dag is er nog steeds de gedachte aan nooit meer vergeten



 


H e r f s t   i n   m i j
 
 
als ik in de spiegel kijk
een beeld getekende ogen
rouwt een glimlach randen,
ziel gehuld in dove angst
 
waar teint nog dacht te
stralen pruilt nu alleen
nog maar ongeloof, duurt
geduld niet meer het langst
 
gevangen in eigen lichaam
waar ouderdom zich onder-
tekent, hunkert schoonheid naar
wat eens zó belangrijk is geweest

 

 


B e n e v e l d   z i c h t
 
 
De nacht is koud, omarm
me in jouw beneveld zicht.
Waar ik verdwijn in rimpelende
ondiepten. Niet opbots tegen een
muur van indigo. Laat me niet
gewond achter zodat ik weer
moet vechten tegen bleke demonen
in flakkerend neonlicht.

 

 


S l o t a k k o o r d


Wat sta je nu te staren, houd ik je een spiegel voor?
Zie je de scherven van mijn hart, kristallen tranen,
de waarheid probeert zichzelf te verdonkermanen.

Een zeepbel, niet meer dan geurende lucht, drijvend
op krachten van de ander. De eenzaamheid niet
overwonnen, en onrust dat blijkt blijvend.
Zie je mij worstelen, vechten met woorden.
Ongesproken is misschien onbeleefd, maar
daarin verschuilen wel onze slotakkoorden.


 


T u s s e n   k i e r e n d   v o i l e



Bewegingen als vleesgeworden muziek,
nachtritme vergaan naar ochtendblues
kiert stilte tussen voile. De sluier deint
op een zachte wind, zweet ochtendzon

opnieuw verlangen uit. Kreunt het dekbed
om een nieuwe ronde, naakt eronder nog
niet verdwenen. Schreeuwt zijn lokroep,
gilt zij als een sirene.
 

 


K a m i k a z e



Als de zon uit mijn hoofd
is verdwenen
Mijn zetel alleen nog rolstoel is
Dan neem ík
de benen

 

 


Lente III

 
de hemel tekent lichter  blauw
zachter roze bekent kleur
de wind zal teder strelen
voor het kwetsbare nieuw
zal ijs heilig worden verklaard
vergeten alle winterellende
zullen verlangens kriebelen
met als hoogtepunt
de zomerzonnewende
 

 


Lente II
 

Proef de bloesem
een lente herinnering
zelfs tulpen
bloeien weer.
Wintervacht verloren
een seizoen ontwaakt
en wordt opnieuw
geboren.

 


Lente I
 

waar bleek ochtendlicht
lichamen emailleert
netvliezen bespeelt
appelgroen gekieteld
wordt door frisse wind
daar ontwaakt de liefde
dageraad teder streelt
vocht tussen nachtelijke
kieren verdampt in adempassen
gewikkeld in een spirituele kom
bloesem geurt als vleugels van een kind
 

 


I n t e r d i c t i e
 

mijn hart zal altijd behoren
aan verboden kanten
belanden op vreemde
plaatsen
tussen bevlekt linnen
 
ik wil je
spreekt mijn hese stem
niet voorgesteld
alleen aan ogen
weet ik
dat het kreuken zal
 

 


O d e
 

je bent geen dichter schrijf je
vertrouwt woorden met elkaar
tot lange uitgebreide verhalen
heb ik me door jouw woorden
laten vertalen
 
getroond op vele zeeën
verlies ik mij in een golf van
jouw eeuwig durende stroom
en kabbel  voort
 
de zon beschijnt ook het duister
nekharen spinnen ragfijne flarden
zinnen, omgetoverde muziekbeelden
jouw naam een eigenzinnig gefluister
 

 


S c h a d u w   d e m o n e n
                          duo-gedicht met Koyaanisqatsi
 

 
Ik herinner mij het onbekende
dagen aaneengeregen tranen
waarvan ik de bestemming niet
herken.
Zeg me, ben jij te vertrouwen
of speel je net zo met mijn geest
als de bleke demon, vannacht
hersenspinsels uit een droom?
 
Ik ben een spookbeeld van mezelf
achtervolgd door gespleten schaduw
gevangen in de drang
naar absolute vrijheid.
Onbestaand en toch vergankelijk
zoekend in mist van talloze vragen
dwaallicht onder een halve maan.
 
 

 


K o u d e   v l e u g e l s


 
je ogen weerkaatsen in het felle licht
zonnestralen verbleken bij je glimlach
ik wil me opnieuw welkom voelen in de
spaarzame momenten van dag en nacht
 
mijn stem niet meer die van een nachtegaal
en mijn huid lijkt ook al meer gekrompen
en de wereld nu meer en meer een ruïne
van opgegraven momenten
 
mijn vleugels zijn zo koud, oud dat ook
maar ik wil zo graag weer fladderen
tussen jou en mij verdwijnen om weer
geplet te worden tussen échte liefde
 

 

 


D r u i f
 
 
 
ik had al afscheid genomen
het huis ingepakt in cellofaan
een geur mis gegrepen kansen
verdoezeld onder druk van jaren
hangen tulpen nog in een vaas
 
van de schrik nimmer bekomen
het vertrek tot eeuwig vergaan
op scherven kon ik niet dansen
heb ik billen voorzien van blaren
bleek niet jij maar ik een dwaas

 

 


D o o r z e t t e n
 


turend naar de regenboog
een regenbui geleden
treurend naar het moment
dat zonneschijn verliet
 
zie haar dan tóch huppelen
met alle winden mee
dansen en vooral veel zingen
het leven, haar lievelingslied

--
1 maart 2007

 


G e b u n d e l d e   n a c h t e n
 


de nacht mag nog donker zijn
ik vind mijn sporen wel terug
op de tast, mijn zesde zintuig
of het maanlicht volgt mij fijn

ik zal nimmer verdwalen in
dat wat eens mijn vijand was
herinner mij nog het schreeuwen
greep mezelf in een drama vast

gebundelde verloren nachten
spookt het niet meer in gedachten
verleden verdwenen in dikke mist

beneveld raakten al hun zonden
vastgenageld in een gesloten kist
geen gevloek meer uit hun monden

 

 


Z o e k  g e r a a k t e   k l a n k e n



wilde zo graag voor ons rijmen
een gedicht uit duizenden
dat ons zou voortbestaan
maar woorden raakten zoek
zinnen verloren verder vandaan

zoekgeraakte klanken
schreeuwen in stilzwijgen
van medeklinkers als parels
kan ik slechts nog een
ongedragen collier rijgen

 

 


F l i n t e r d u n n e    v e r l a n g e  n s



Ik zou willen dat jij nog eenmaal mijn hart streelde
zoals je ooit gouden lokken draaide om vingers
flinterdunne verlangens splinterden voor onze ogen
toch was jij het keer op keer die wonden heelde.

De bloei, voorspellend als knoppen die ontluiken
liefkozingen, strelingen als door een zachte wind
grassprieten tekenen schetsen op een ontblote rug
een dandelion pluist ons sterren op klaarlichte dag

Herinnering doet oplichten, een vreugdedans
van oplaaiende verlangens, totaal opgaan met
gesloten ogen in jouw alles veroverende,
hartverwarmende, reeds verloren glimlach.

Dag!
 

 


i k   h e b    j e    l i e f    m i j n    l i e f ,   
                                        a l s   j i j   o o k   m i j,   v r i j



mijn lief, hoor je mijn vleugelzang
wanneer ik fladder van emoties
mijn rode konen als schitterbaar
handenschelpen waarmee ik ontvang

paring geeft een speciale tinteling
daar waar een relatie zich kroont
zweef ik oeverloos en mijlenver maar,
keer immer terug waar onze liefde woont


 

 


W o o r d e n s n i p p e r s


dageraad zingt nog in perikelen
een woordenwisseling tussen ons
voegt  toe aan diverse artikelen
het klamme zweet vertelt in dons:

zuchtte de maan nog vele wonden
waarmee wij draaiden en duizelden
praatten met veel te grote monden
sterren niet verlichtten, maar kwelden

woordensnippers vulden klamme lucht
draaiden we rond in het ontelbare
schonken elkaar namen zoals ik jou
'halvegare'

de liefde maakt van ons metaforen
zijdezacht probeer je lief te lijmen
maar haat in een ochtendgloren
daar valt geen kus meer op te rijmen


 

 


B r a n d i n g   o u v e r t u r e


zee breng me
in klanken waar jij ontwaart
in het beuken van je stilte
waarin jij je krachten huist
verlang van mij het zoute
verlos mijn binnenste kwaad

zee breng me
de golven van verlangen
het rollen van het branden
de omarming van genot
het ritme van het ruisen
die boezem heeft gevangen

zee geef me
nog een teken
herinneren aan later
van vergeven en vergeten,
verlangen en hopen, zee
breng me antwoorden, onder water
 

 


D u i v e l s e   k l a u w e n


aanstormende branding, tussen gesloten lippen
zoekt de herinnering zich een weg naar buiten
voel verdwijnende aarde onder zolen glippen
hervind de kracht laat me niet meer sluiten

geklemd  tussen jouw duivelse klauwen
schreeuwt mijn ziel in houtskoolschrift
voor mijn ogen een pijnlijk wantrouwen
heropende gaten, halfnaakten in gloeilicht

 

 


B a s t e r d s u i k er


 
de winter neemt nog een hap sneeuw
een verlaten restant van gistermiddag
toen de zon voor onze ogen verdween
 
het witte poeder smeekt om deze nacht
waarin het oplicht in heuse verlangens
een smeltproces in vele gedaanten
 
de winterklok snuift behoedzaam door
achter fluweelranden poseren schaduwen
monsterlijke begeerte in trip gevangen

 


 


I J s k o u d


 
ik weet dat er altijd sneeuw zal zijn
in een kleine kamer van mijn hart
ijskoud tot pegel gevormd
zo teer, zo breekbaar, het doet pijn
 
een beetje warmte zal het doen smelten
doch blijft een restant altijd koud
omdat jouw leugens mij sneller bereikten
dan de woorden, dat je van mij houdt
 

 


H o l o c a u s t
 


ze ruikt nog de geur
van gele sterren
misschien leek het
erger dan het was
waren de lijken
gedroomd
 
opgestapelde
nachtmerries
 

 


O p a a t je    c h o c o l a a t j e



herinner het grijs nog
van zijn slapen
gerimpeld verleden
op zijn gezicht
zijn laatste hap
pure chocolade
want daar hield
hij zo van
 
tien plakken
konden er wel mee
volgens hem
'onder het zand'
zei hij dan
'want cremeren
daar smelten ze van'
 

 


B l a n c o
 


nog altijd weet je mij te raken
ontroeren door een enkele zin
een tasbaar moment van buitenaf
 
jij bent mijn verlangende droom
tevens mijn grootste onzekerheid
waarin ik zal verdwijnen
 
ik weet het,
want ik verdronk al eerder, vaker
in de kleur, de diepte van je ogen
 
aanrakingen van handen
vingers door gouden lokken
verlokken
 
nee, geen twijfels wat jou betreft
het zijn de blanco woorden
die we elkaar nooit hebben gezegd
 

 


M e e v o e r e n
 

 
Ik neem je mee
naar mijn water
verstand op nul
een diepe zucht
vol loze lucht
 
Adem in stilte
geniet van onze
schone pracht
de kracht van
samen
 
Ik neem je mee
aan losse hand
je slag gaat gedwee
langzaam bereiken
mijn suite op zee

 


 


T i j d e l i j k
 
 

iedere keer belanden wij
meedogenloos
zand dat tussen vingers glijdt
als regen over wangen
gecamoufleerde tranen
 
winter huilt om zijn verlies
alles naar de knoppen

 

 


a f s c h e i d   z o n d e r   w e e r z i e n
 
 
 
de maan verschool zich achter dons
waaronder wij onze vrijheid waanden
de nacht waarvoor wij duur betaalden
bestond niet eens uit een morgenstond
 
wentel ik me nogmaals in jouw warmte
genesteld in vasthoudende gedachten
weeïg zal ik moeten concluderen
we hebben elkander liefgehad 
 
 

 


O n t wa k e n

 
wind neuriet een zacht geruis
boomtoppen krullen als vallend schors
op een gerimpelde deken vochtig mos
plekken van gister nog zichtbaar
 
klaarlichte sterrenhemel toonde bloot
ooit voor ons een dromerige waarheid
zo kon een zomer in winter bestaan
kleurden gestolen zoenen eeuwig rood
 
waarheen zijn onze vonken
vuur gedoofd in een zucht van regen
je hebt me maan en zon beloofd
het ontwaken viel bitter tegen
 
 

 


V e r z i lv e r d e   t r a n e n


 
ik heb je in mijn hand gehouden
teder je verdriet laten wegglijden
ik heb je willen houden maar meer
dan eens bleek jij verbondenheid
te willen vermijden behalve als we
urenlang tot ochtendgloren vrijden
 
regen wast mijn gezicht met tranen
wassenbeeld zonder kleurecht zijn
mijn hart, een gebleekte wonderdoek
opgeruwd, wat ooit eens zijde was
 
littekenweefsels kenmerken de ziel
van nooit meer weggeweest,
eeuwig donker ontwaakt de nacht
gebukt ga ik ten onder
jouw naam, fluister ik stil en zacht

 

 


E l e m e n t e n
 


De bron bracht mij tot de kern diep in mijn hart
ik dacht dat ik hallucineerde, bevangen raakte
onder waanbedekte handen die mij liefhadden.
 
Jouw ogen spraken nogmaals eenzelfde belofte
die ik vol vertrouwen aanschouwde door ‘n waas
van tranen heen. Ik opende mijn meest kwetsbare
liet het vruchtennat jou welkom heten in mijn illusie.



 


' T a s t b a a r '



metaalharde woorden
als poorten die sluiten
verzegelen mijn lippen
 
plaatst lichaam erbuiten
omsingelt nevel mijn hart
is het stilte wat we horen
 
bespijkerde dromen
als enig houvast
verankerend in ogen
 
eeuwig verlangen
vastgeroest in klonen
lik ik room uit een restje hart

                   duo Kronos & Aquaangel


 


L a v e n d e l n e v e l
 
 
je gezicht spreekt in onwaarheden
jouw tong draait een valse slag
herinner jij nog de dag zoals in juli
 
het mistte die ochtend zoals in vele
nachten waar ik weer verloren raakte
tóch vonden wij ook die dag de weg
 
terug naar vlammen van passie
geur die lavendel deed nevelen
ongerijpt smaak ik nog steeds bitter
al is mijn lijf immer beetgaar geweest
 
        met dank aan Remy voor het woord lavendelnevel

 


S c h u d d e n   v o o r   g e b r u i k
 
 
ík
voor je netvlies
eeuwig poserend
van lief
tot uitermate
vulgair
 
zo zie ik mezelf
graag
straks jij ook
 
tuit ik lippen
om gelikt te worden
bijten tot op het
kale bot
 
ik lik je
room
kant-en-klaar
 



 


I s   h e t   w i n t e r ?
 
 
is het winter
als mijn ijskoude hart breekt
regent het
wanneer tranen wangen trotseren
als watervallen stromende gedachten
die nooit weer thuiskomen
 
je naam
zie ik voor me, geschreven
in kalligrafische vormen
als jouw ranke handen
die mij ooit raakten
 
onze liefde
een verhaal gehuld
in een treurig einde
 
toch heb ik je gezien
gekleurd in glas en lood
is het winter
neen,
 
je bent dood


 


P a p i e r e n d r o m e n
 
 
 
Ik vouw jou tot een vierkant
 
Waarin ik gladgestreken kan wonen
 
Letters verzamelen gemoedstoestand
 
en ik brand vurige intense verlangens
 
Ben tot een verzamelpunt gekomen
 
Alles tot een prop in mand belandt
 
Samen met ál mijn papierendromen
 
 
 



 


d e s i d e r a t u m
 


Het geheugen draagt het maximale
ik had me beter kunnen distantiëren
er stond nog zoveel te wachten maar
hoe had ik kunnen richten op iets
dat niet voldeed aan jou, ik zette
de misstap volbracht mijn missie.
 
Jij, was wat ik wilde, en ben ik ook niet jou?
Hetgeen we samen creëerden van warmte
tot aan deze eeuwigdurende kou.
Geroken aan verwelkte bloemen, die dor
het licht beschenen. Krakend blad dat
verpulverde tussen het gevoelloos zijn.
 
Het kobaltblauw dat afsteekt tussen het
grijs van onze wolk, welk als wijzend oog
afstevent op ons beoogde doelen.
Misschien dat we vruchten kunnen plukken
en óók in het winterse kunnen genieten
van wat we in onze toekomst willen voelen.
 


 


s p u i g a t e n
 
 

In het doorzichtige zoeken
leken ogen transparant te zijn.
Hoe doortastend doorboorde
jouw folie mijn, alles vergevende, ziel.
Inmiddels ben ik ondergedoken
mijzelf in het verwarrende zoekende.
Boos en vol agressie
probeer ik weer staande te geraken
het is moeilijker dan het lijkt
ik ben nog steeds vloekende.
 
 


 

h o o p - a n g s t - v e r l o r e n
 
 
 
de ochtend danst voorzichtig voor mijn ogen
 
het schuwt in de schaduw van waakzaamheid
 
kroon van verlangen, gebroken in ogenblikken
 
waarin verlies de troon voor eeuwig betreedt

 

 


B u i t e n g e w o o n
 
 
die ene bijzondere nacht daagde onze lijven bloot
voorzichtig kroop tijd onze richting uit
er was al  veel pijn geleden in het verleden
 
tóch sprongen wij samen hand in hand
het diepe leek zo erg nog niet
we genoten van gezamenlijke buit
 
op mijn beurt was ik goed van vertrouwen
ik wilde alles, voelen, beleven, op waarde inschatten,
vooral veel van je houden
 
hoe bijzonder het toen ook leek
ik ben een aangespoeld wrak op een verlaten strand
alles is gekrompen, je past zelfs niet meer in mijn hand



 


M o e d e r

 
zee, wind, schreeuw
sla het zilt in mijn gezicht
gesel met genadeloze klappen
ik weet hóe stormachtig je kan zijn
duw krachtig doorheen mijn leegte
ik zal doorademen, zoals jij mij leven gaf
 


 


N i k s  b i j z o n d e r s
 
 
hand vol herinnering
een jaar dat overging
in vandaag
wast regen fris geschoren
toont een bleek gelaat
 
eenzame straat
verlicht door aarzelende zon
spant de morgen
een nieuwe kroon
 
heel gewoon


 


M e m o r i e
 
 
weet je nog
als gister
en vandaag
 
herinnering
memorie met
‘n randje stof
 
verkleurd tot
ingelijst geel
het scheelde
 
niet veel
of ik vergat

 
 


M i n n e
 
 
jouw handdruk
ademde koel
verlangen
geborgen
tussen lijnenspel
in afstand leeft
onze adem
 



 


 

Top