Angélique kersten  | Arnhems Blond

  

IM

Patrick (my little brother)

* 23 juni 1976 - 24 november 2007

Fluister mij een herinnering

zoals ook de wind ons vertelt

niet van komen en gaan

maar windstil blijven staan

 


 

 

 

W o l k   3 1
 


In de hemel waar het blauw aan mijn ogen verschijnt
vertalen wolkenbeelden, vormen ongerijmd
een naam van kunstletters, gevulde lucht
ik hap naar adem in een nieuwe zucht

verschraal niet op mijn huid als zonlicht
maar herleef in mijn hart als gedicht
ik neem je leven verder waar
en blijf jij immer eenendertig jaar

elke keer, zo vlak voor het slapen gaan
blijf ik even bij jouw foto staan
en zoals vele eerdere nachten
wenen druppels kaarsenvet

maak ik mij alweder zorgen
stap bewogen in mijn bed
troost mij met de gedachten
voor elke onrust een nieuwe morgen


 

C o l a   &   M o r f i n e

 

ik wilde je vertellen over een zonsondergang
jij was aanwezig maar je ogen bleven gesloten
verloren in jezelf aan de God van Morfine

opnieuw zou ik afscheid van je willen nemen
misschien doet het dan minder pijn,
kunnen we om grappen lachen
wil je ook weer cola misschien?

ik breng je liters sixpack
ontkurk hiermee leven
maar je mond blijft gesloten
woorden zwijgen eeuwig

de pijn voelt er niet minder om
en snijdt nog net zo hevig

 


M e m o r e n


het maakt me niet uit
dacht ik, maar de rook
was hetzelfde en bloemen
geurden een bekend bouquet

het regende niet eens tranen,
voelde me sterk
geboren uit de grond van aarde
waarin ook jij de taartjes bakte

zand hapte en pieren zocht
en mij plaagde zonder dat
we toen wisten, dat ons
herinneren vertraagde

 


6


Zes maanden later schijnt
de zon fel en kust kleur mijn wang
vogels hebben noten op hun zang
toen moest het nog winter worden
jouw gezicht tot wassenbeeld verkleurt
handen broos als porselein ineengeslagen
als een verkreukt boek zonder bladzijden
jouw verhaal leest verder in herinneren
en beelden geplakt uit jouw bestaan
je stem ebt steeds verder weg
beetje bij beetje bij mij vandaan

 


R e g e n b o o g   g r o e t



zo als je daar ligt
tussen vijf planken
en laken met franje wit
maak je dan geen zorgen
om onze tranen
je hebt je rust
welverdiend

dat wij breken
bij de aanblik
van zoveel broze
en jij in de
kleurloze zone zweeft
mag het jou niet belemmeren
in de vrijheid die je nu leeft

als op dag zes,
plank zes verschijnt
het laken je wordt ontnomen
wij met een waterval aan tranen,
aan de grond genageld staan
wil je dan beloven
dat je ons vanboven nog eens gadeslaat

kleuren trekt als een herinnering
in een regenboog aan groeten
zul jij altijd blijven bestaan
en ik hoop dat je ons herkent
hoever je ook bent
bij ons vandaan

 


M e l a n c h o l i e


Geen traan kan weergeven
dat wat gevoel zo breekt
dagen vouwen zich om
mijn gebroken hals
ze knijpt haar zonde dicht

Vogels vliegen hun melancholie
en deinen vrij op de wind
ze schreeuwt alsof hoog boven zee
voel de vrijheid, de onschuld
van haar als zoetgevooisd kind

Wat ze mist draag ik mee
in het fluweel van mijn hart
een trechter vol emoties
haar oogappel verloren
in de gang naar het verleden

 


2 4  w e k en   l a t e r


Ik had nog graag voor je willen zorgen
vroeger voelde dat vaak verplicht
Als jongste uit het nest raak jij nu de verste sterren
bewoont voor ons een nog onbekend oord.

Ik hoop van harte dat
jij me nog steeds aanhoort

Ik was als jouw kleine zusje, zeven jaar te oud
en jij als grote broer veel jonger dan ik.
Het verschil wordt alleen nog maar groter
gaten worden niet meer gedicht.
 

 


M a g   h e t   l i c h t   u i t ?



Zijn ogen staren troebel
als grauwe was
zenuwachtig wuivend
opzoek naar ritme
van wind
in het dal van zijn stem
staken woorden
geen echo wordt nog ingehaald
door zinnenregen
windstil is zijn adem
slaan wij handen voor onze mond
als hij nog eenmaal ogen sluit
voor opkomende zon

 


M a m a   d a g
 


Voor het eerst is het een beetje ongewoon
Moederdag
eentje zonder jouw zoon
cadeaus die ik had kunnen verzinnen
doen af aan groot gemis.
Het is onevenwichtig zonder hem
je mist zijn humor, zijn glimlach
en natuurlijk ook zijn stem
waardevol worden de kleine dingen
als iemand er niet meer is.
Jij bent nog steeds onze moeder
ook al is hij er niet meer bij
de knuffel van hem,
die krijg je via mij

 


D e   d o d e   s p r e e k t   v a n   k r a c h t



De kracht zit hem in verzachten
zodat alles lichter wordt.
Ik begrijp het maar
verhul mij niet in een waas.

De morgen dient zich aan
het verplicht tot verder
en waar men denkt
dat ik zal staken
breek ik alle wetten.

Vertel mij nog eens
van het verleden
dan keer ik daar eens terug.

De kracht huist niet in verlaten
alles verdwijnt al veel te vlug.
Het gaat om overleven

en het is waar,
schrijnen doet langer dan
even.

 


V e r t e k e n d  b e e l d



Ik teken jouw hoofd met krijt
in zwarte dikke strepen
geef jouw pijn weer
en tussen alle witte lijnen
vloeit jouw levens zeer

Eenmaal op papier zal ik je lijsten
ik laat je niet verkreuken
met mijn ogen zal ik je rijmen
vast in mijn hart
zal ik je met liefde lijmen

 


M o r g e n s c h e m e r i n g


en het grijs verdween
bracht kleur aan de nacht
had nooit meer gedacht
dat de aarde zou draaien
alles stond stil, breekbaar
in het vroege dageraad

het leven ging door
om ons heen, op straat
het werd zelfs weer lente
zij het met een grove rand
heel voorzichtig schuifelen
door vruchtbaar land

 


D o o d s p o o k



doden ontwaken niet
je hebt nog niet één woord gesproken
sinds de afdwaling
naar hogere sferen
jouw glimlach is
met de echo van je laatste zucht vergaan
je doet niet aan spoken

 


 

S c u l p t u r e



zijn echo galmde
verstilde mijn angst
van verlaten en
doorzag wat verbloemde

zijn woorden waren als
jouw handen in mist en
omvatte dat ene seizoen
dat alles veranderde in ijs

sculptuur achter glas die lente
ontdooide alsof het nooit
die ene lange winter was

 



G e b a r e n
 


met mijn ogen dicht
zie ik je levenslust
tranen van berusting
die wonden dekken
en de nachtrust
verder verlicht

je loopt in jouw verhaal
een script zonder woorden
je hebt niet eens een mond
van een happy end is er geen sprake
ogen vertellen in eigen taal
je weet me nog tot het einde te raken

 

 


V e r s l a g e n   V e r d r i e t



Er is een groot gat geslagen
daar waar jij leegte achterliet
de ziekte heeft jou verslagen
een laatste adem, het definitieve afscheidslied
waarom, waarvoor, waarheen; onredelijke vragen
wanneer men vraagt naar ons verdriet
dan wil ik er niet over gaan klagen
maar het is zo dat wat niemand ziet
daarmee slijten wij onze dagen

 

 

 


. . . . . .


en je herhaalt wonden open
creëert hiermee eigen kwaad
want vroeg of laat boert het wrakhout
en zuurt het regentranen

ik snap het wel
althans ik probeer te begrijpen
dat wat je hart niet wil aanvaarden
explodeert in dwangmatig

 


B e [d] [p] r o e v i n g


Het wordt straks lente zonder jou
gevuld met veel verdriet
de rand iets minder gekarteld
een andere vorm van rouw.

Jouw schaduw bestaat niet meer
de witte meeuw veranderde in een kraai
met vleugels naar vrijheid
en omkeren, nooit weer.

Zal jij de zon ook voelen
daar aan de andere kant
ons met stralen beschijnen
waar wij treuren op eenzaam land?

Waar jij vele stappen plaatste
en herinneringen stempelde.
Zal ik daar treuren om het vervaagde
of glimlachen om wie je was?

Ik denk het laatste.

 


T r i k t r a k
 


Vandaag spraken ze over je als over een dode
maar je leeft zo echt in mijn gedachten en morgen
kom je weer spelletjes spelen, het bord staat klaar.


Er was niet veel kans, zeiden ze. Niet meer dan dat
of toch wel, moedig dat jij je eigen route bepaalde;
het lot in eigen handen nam als de dobbelstenen
-triktrak-
je eigen kans bespelen, met geluk of domme pech


Misschien een volgend potje beter?
Morgen, wanneer ze niet meer wenen
niet meer op je letten, en jij ons voor de gek houdt.
Alsof dood - misschien

 


A c h t   w e k e n   (sonnet)
 
 
 
Waarheen ben jij gegaan
toen jij ons leven achterliet
waar zijn de resten van jouw bestaan
die verloren gingen na het afscheidslied.
 
Hoe kleurloos wit nuanceert dit seizoen
net als alle opvolgende jaren?
We glimlachen uit goed fatsoen
onze tranen zijn we aan het sparen.
 
Watervallen voor in de nacht
waar wij je stem nog eens willen horen
beelden verschijnen als nooit tevoren;
 
jij tastbaar bent en fluistert zacht
maar woorden gaan in dromen verloren
het portret bevriest als jij naar ons lacht.


 


 

de kleur heb ik al uitgezocht:
wit, als verse sneeuwvlokken
in een willekeurig seizoen
 
het smeltproces begint met
wind inademen, tot het pijn
doet, adem beneemt en verstikt
 
ik schrijf je mijn wanhoop toe
die niets met de kleur van
verdorde bladeren te maken heeft
 
gevloek knispert onder mijn pas
ik kroon mezelf de eikel toe
met stekels van de kastanjehuls,
 
ik ben het voortzetten moe

 

 


k e r s t ( g e ) m i s 
 
 
we zullen hem blijven zoeken
in de kaarsenvlam die brandt
tussen de eerste sneeuwvlokken
in ijsbloemen, de rijp op het land
 
we zullen hem vinden in onze harten
hem eren in zijn grootste moed
voor ons kan ik alleen maar hopen
dat het ieder jaar een beetje minder pijn doet
 

 

 


S t e * * r e n f o n k e l s
 

Ik bellenblaas
zweef luchtkussentjes licht
tussen wolken van zijn en droom
mijn gedachten zijn overal
tussen nergens, sterrenfonkels
boven hoge daken, waar ik weet
dat ze lucht en aarde zullen raken

 

 

 


R o u w w o l k j e s
 
 

het regent zonder te storen aan verdriet
boomblad verkleurt een aflopend seizoen
een stem lijkt te vervagen in een flard
van ochtendmist
 
ik adem rouwwolkjes in ijle lucht
die mij gevangen houdt, schreeuwen wil
en ik vlucht mij in het afgesneden zijn
 
hoe ik jou gezicht zie verstenen
onder deze kilte van rouwen
woorden lijken te bekleven
aan elk van mijn herinnering
 

 

 


P a l l i a t i e v e    s e d a t i e
 
 
piepjes leven luid in stilte
en wij ademen bevroren wolkjes
al onze zinnen zwijgen
omdat antwoorden staakten
 
het voelt verloren nu je lichaam er nog is
maar je geest salueerde zijn aftocht
en sedatie zucht een nieuwe fase
een grijs gebied zonder toegang
 
geen gesproken taal
je zweeft al tussen lucht en wolken
de zon zal misschien jouw warmte zijn
het licht je allernieuwste herinnering

 

 

 



B e ë i n d i g i n g
 
 
als het licht niet meer in je ogen schijnt
hoop verwaterd in wazige blikken
wie zijn wij dan, om het licht
aan je op te dringen, lucht toe blazen
terwijl je al lang niet meer vangt
ik kus de regels van jouw zinnen
en wat ik zag was resterende liefde
waar onze toekomst zonder jou
op voortleven zal

 

 

 

 


 

D e   t i j d  i s   r i j p
 
 

de bomen zijn al bijna net zo kaal
en morgen kus ik rijp van je wang
voel je de wind die toezingt
en de zon die je binnenhaalt
nog voor jouw laatste wintervlokken
 
ik zal niet jokken,
natuurlijk ben ik bang

 

 


W a c h t   r i j
  
 
geen taal spreekt meer woede of onmacht uit
zoals alleen het menselijke lichaam dat kan doen
geen kopzorgen plukken zo kaal als dit zwart gelach
waaronder jij je nóg steeds staande weet te houden
 
de herfst is voor jou veel eerder begonnen toen
ik nog pootje badend van zomerzon genoot,
kroop jij door een hel glimlachend met zelfspot
doch handen bidden zich hoopvol vouwend
 
ik zou voor jou een regenboog willen kleuren
jij, mijn allerliefste broer, om je in het licht
tijdens het zwartste zwart op te willen beuren,
 
seizoenen wil ik doorspoelen naar één van je
meest favoriet, jou laten verwelkomen
door een liefdevol herinneringslied

 


N e t e l i g
 
   
terwijl de lente al lang begonnen is
schemert een winteravond in ogen
angst voor winterse stormen raken
wij bij voorbaat al ondergesneeuwd
 
in geel verkleurde herinneringen
ligt alles opgestapeld om vandaag
witgewassen voor ons tentoon
gespreid weer te mogen verschijnen
 
hoe cru een zonsopgang kan voelen
wij onze zongebrande snoetjes zien
doch onze harten onderkoelen bij de
aanblik van jouw krijtwitte dagen

 

 



D o o r z e t t e n


met ogen raak je ochtendlicht
zoekend naar de drang van leven
bundels koesteren jouw gezicht
en ik, ik zou je alle dagen willen geven
 
rijkelijk gevuld met alles wat gelukkig maakt;
liefde, geluk, rijkdom, allemaal cliché
want zoals jouw gezondheid er nu mee staakt
wat kun je er dan nóg mee?
 
we klampen ons vast aan een laatste strohalm
gaan er met zijn allen voor
en als een volgende zonsopgang op zich laat wachten
slepen we jou en ons er nog eens door
 

 


 

I k   w i l   z e g g e n  h o e v e e l   p i j n   h e t   d o e t
 
 
ik had al afscheidgenomen
in de meest donkere nacht
kneep eens in jouw handen
ijsklomp aan herinneringen
bevroren bloedlijnen, zelfs
de glimlach was gestorven
rond jouw zwijgende mond
 
in mijn nachtmerriedromen
hunkerde ik naar beelden van
wat jou aan het leven verbond
 
 



W h o   w a n t s   t o   l i v e   f o r e v e r . . . ?
 
 
ik heb kringen gezien
rondom je ogen de diepte
ervaren van het vallen
zonder net
 
ik wil niet meer denken
aan de reden van loslaten
tevergeefs klemmen
aan rottende wortels
 
de pijn van nog-net-niet
afgesneden zijn pompt
door lek geprikte aderen

 

 

Top