Angélique kersten  | Arnhems Blond

 

 

 

  

Met blote handen pakt ze het stalen frame, dat uit zijn borstkas steekt, vast. Het lemmet is met bloed doordrenkt. Ze zuigt lucht naar binnen; oud frituurvet, oliebollenstank en angst banen zich een weg naar haar longen. Ze geeft over. Haar maaginhoud valt over zijn inmiddels roodgekleurd overhemd. Het bloed heeft zich in de stof vastgezogen; zijn klauwen erin gezet om te laten weten dat het gewonnen heeft. Met een klap valt het mes op de grond. Verontwaardigde gezichten hangen boven haar. Er is geen geluid. Heeft de schok haar doof gemaakt? Zo-even had er toch oorverdovende muziek geklonken? Luna neemt een uitdagende houding aan en schreeuwt: 'Ja, wat kijken jullie nou? Het is zijn verdiende loon hoor!'

(uit: Lunapark)

 

 

 

Het achtervolgen kost me veel tijd, tijd die ik niet meer heb. Ik zal terug moeten keren naar het kamp en me weer bij de groep moeten aansluiten. Ik had die gast graag van de berg af willen donderen! Vooral toen ik ze samen in het gras zag liggen. Maar er is altijd wel een toerist in de buurt of jongelui van de school. Ik zal mijn plan een andere vorm moeten geven en wachten tot het juiste moment daar is. Beautje pakt hij ook wanneer het hem zo uitkomt. Die gozer is geen lang leven beschoren. Wat zeg ik, als het aan mij ligt is ie volgende week al dood! (uit: PUPIL)

 

 

Het achtervolgen kost me veel tijd, tijd die ik niet meer heb. Ik zal terug moeten keren naar het kamp en me weer bij de groep moeten aansluiten. Ik had die gast graag van de berg af willen donderen! Vooral toen ik ze samen in het gras zag liggen. Maar er is altijd wel een toerist in de buurt of jongelui van de school. Ik zal mijn plan een andere vorm moeten geven en wachten tot het juiste moment daar is. Beautje pakt hij ook wanneer het hem zo uitkomt. Die gozer is geen lang leven beschoren. Wat zeg ik, als het aan mij ligt is ie volgende week al dood!


 

 

............Bij elke stap groeide mijn opwinding; de zee bevond zich zoals altijd achter de duinen, maar ik had haar nog nooit gezien. De wind speelde niet alleen met onze haren, maar ook onze shawls wapperden als de linten aan vliegers om onze halzen en hij liet mijn ogen tranen. Daardoor durfde ik mijn emoties wel te laten gaan en de windtranen vermengden zich met de échte tranen. Gewoon omdat ik het panoramische uitzicht zo prachtig vond dat ik ze niet tegen kón houden.

 

 

 

........Rond mij bleef het angstig donker en ik zat in de schaduw vastgeplakt op de smalle zitting. Er kwam beweging in de vrouw en ze kwam mijn kant op lopen. Haar gezicht vertoonde rimpels, haar huid was bronskleurig en leek wel van goud. Ze keek met een donkere oogopslag en knikte naar me. Ik knikte verlegen terug. Haar haren droeg ze onder een soort van zakdoek waar nieuwsgierige, grijszwarte plukken onder vandaan sprongen. Ik voelde me een indringster, een voyeur, maar ik kon er niets aan doen, deze dame maakte iets in mij los wat mij deed staren. Misschien miste ik mijn eigen moeder meer dan ik dacht of wilde toegeven.

 

 

 

.........Blootsvoets was ik van huis gegaan. Het eelt op mijn voeten bleek niet voldoende. Mijn zolen bloedden. Het deerde mij niet. Ik kon omgaan met pijn als mijn vaste levenspartner. De rugzak had ik thuis gelaten. Hier had ik niets nodig. Ik had helemaal bloot kunnen gaan; zo naakt als maar zijn kan, wilde ik mij vertonen. Vandaar dat ik mij uitkleedde onder het oog van een nieuwsgierige maan en wat slapeloze eenden. Ze bekeken mij met hun kraaloogjes alsof ze zeiden: 'Een vreemde eend in de bijt'. Geef ze eens ongelijk.

 

 

 

..........Die nacht droomde ik dat ik een nieuwe vader had gekregen, maar Heinz geen nieuwe vrouw. De demon begon onrustig te worden en ik stond op. Op blote voeten liep ik door de koude gang van het huis en opende de slaapkamerdeur van Heinz. Naakt was ik meer aangekleed dan hij kon zien. Mijn ziel verborg zich achter de heuvels die mijn borsten vormden. Uitdagend priemend in het ontstoken licht. Mijn verleidelijke blik smeekte gulzig - meer nog naar het moment van einde. Het was moeilijk iets te openen wat ik eigenlijk voorgoed wilde afsluiten. Hij zou het niet aan mij merken - ik opende toch wel, maar sloot tegelijkertijd. Kippenvel werd een beschermend laagje vernis.

 

 

...........  Ik draag een sexy jurk met laag uitgesneden hals en rug. Een glimmende armband met imitatie diamanten maakt dat ik me heel chique voel. Wat mij te wachten staat, is dan ook heel exclusief. Een aanslag op mijn bankrekening ... lang leve Visa!

 

...........De oranje deur is voorzien van een vierkant raam, daarvoor hangen jaloezieën zonder stof. Op deze afdeling wordt extra opgelet als het om hygiëne gaat. De linoleumvloer, van dezelfde kleur, maar dan een tint lichter, is kraakhelder op een paar stoelstrepen rondom het bed na. Het laken ligt er nog net zo gladgestreken en ingestopt bij als de dag daarvoor en alle dagen daarvoor. Op het prikbord zijn kaarten bij gehangen. Allen met dezelfde opbeurende tekst: “Beterschap!”  

De geeloranje gordijnen zijn half dicht geschoven om het felle licht tegen te gaan. Geluiden die klinken als in een aquarium, het zuurstofapparaat geeft geen beterschap aan. De dood is hier al angstig dichtbij.

                                                                                             

 

 

 

 

 

 


 

 

 

De breinaald stak uit één van de ogen van de vrouw, die in een onnatuurlijke houding voor hem lag. Aasvliegen zwermden als stille getuigen om haar heen. De geur benevelde al het levende, de ruimte was stil en dood. Hij bukte om de vrouw beter te kunnen bekijken. Van te voren had hij een zakdoek besprenkeld met parfum om vooral niet over zijn nek te hoeven gaan. Zijn in latex gehulde handen gleden langs het lichaam. Nog niet zo lang geleden was dit een prachtige dame, dat zag eenieder op de talloze foto's die in de gang aan de muur hingen. Nu leunde zij wreed tegen haar bed. Haar dode blik deed iedereen huiveren, mede door de breinaald die uit haar oog stak.

 Hij nam alles in zich op; ze droeg een bh, haar string lag achteloos bovenop het rommelige dekbed. Sectie zou uitwijzen dat de vrouw verkracht was. Dat wist hij uit ervaring. Waarom dan de breinaald? Waarom zo luguber? De nek van de vrouw vertoonde wurgsporen misschien konden vingerafdrukken meer uitwijzen.

Jack probeerde zich met de dader te identificeren. Na veel moordzaken raakte hij er als rechercheur aan gewend om zich te verplaatsen in de daders; zien door hun ogen, denken als hun verrotte brein. Het viel niet altijd mee, dat gaf hij toe, maar het ging in de loop der jaren steeds beter. Alleen al van de doodse geur werd hij nog elke keer onpasselijk en hij wist dat hij de hele dag niets meer zou eten. De geur zou hem tot zeker de volgende morgen achtervolgen.

  Het gezoem van de aasvliegen irriteerde hem mateloos; een kenmerk dat de dame er al een tijdje zo bij lag, anders was dit uitschot niet van de partij geweest. Ongenode gasten. Ze vervormden de dode tot de mismaakte persoon die voor hem lag. De vliegen legden hun eieren in het lijk en zo was de cirkel rond; leven en dood.

Het scenario was volgens hem als volgt: de dader was de vrouw tegengekomen in de bar waar zij in het weekend stripte. Hij had haar geile blikken als een uitnodiging opgepikt en zich aan haar opgedrongen. Dat deed hij in eerste instantie zeer hoffelijk, waarop zij hem uitnodigde in haar appartement. Daar aangekomen maakte de man werk van zijn verlangens. Waarschijnlijk heeft zij zich hier zwaar tegen verzet; gezien de breinaald. De dader heeft haar verkracht. Ofwel vóór, ofwel ná de wurging. Misschien wel beide. Tijdens een aanval van haar kant, misschien wel met de breinaald, is deze op ongelukkige wijze terechtgekomen in haar mooie blauwe linkeroog.

 


 

Ik onderdruk een groeiende erectie en schrik op van de flitsen achter mij. Collega's die foto's maken van de dode – het zullen haar laatste foto's zijn.

Hè verdomme! Ik sta op en loop de kamer rond op zoek naar aanwijzingen die de dader zouden kunnen verraden en wrijf met mijn handen over de deurknoppen. Mijn collega's zijn druk aan het werk. Onopvallend regel ik mijn eigen zaakjes.

   Op de bank van de eigenaresse pluk ik wat bruine haren van de leuning af. De vrouw was een blondine.

In de keuken zet ik een bierglas in de gootsteen en wrijf met een vaatdoek de randen schoon.

   'Hoe is het hier baas, nog aanwijzingen gevonden?' vraagt de aanwezige leergierige rekruut.

   'Nee, er is niets te zien dat er op wijst dat de dader hier is geweest. Ik denk dat ze direct naar de slaapkamer zijn vertrokken.' Ik zeg tegen hem om daar eens een kijkje te gaan nemen. De jongen knikt en loopt terug naar de plaats delict. Ik ben hier ook klaar.

   Buiten het appartement buk ik onder het gele lint door, ontdoe mij van de latexhandschoenen, schud mijn bruine haren los en glimlach naar een opdringerige reporter die een interview met mij wil. Het verhaal heb ik klaar, kom maar op. Ondertussen verberg ik mijn nek door de kraag van mijn blouse rechtop te zetten zodat de pleister met daaronder het wondje niet opvalt.



 

 

 

 

 

 

 

 

Woede komt door angst

 

en angst

is verlies van de realiteit


 

De das voelde kouder aan dan de wind die hem om de oren sloeg. De sneeuw die er op gevallen was, was inmiddels hard bevroren en had van de das een stijve, harde doek gemaakt. Hij kon hem net zo goed afdoen. Het was veel minder erg dan de koude tenen die in zijn schoenen zaten. Stampen had geen enkel effect, want de sneeuw onder zijn voeten lag overal, hoe ver hij ook voor zich uit keek.

Moedig trotseerde hij de ijzige kou en liep door een nevelig landschap. Om de tijd te doden, speelde er een monoloog in zijn hoofd af. Hij werd gevolgd door de kale, afkeurende bomen om hem heen. Hij deed liever alsof hij en Lena samen thuis voor de haard zaten. Hij vond dat haar ogen zo mooi uitkwamen in de kaarsvlam die meestal voor hen op tafel stond.

Maar net als het groen dat overmeesterd werd door sneeuw, verloren de beelden in zijn hoofd houvast. Hij was op weg naar de harde waarheid aan de andere kant van het dorp. In dit weer betekende dat zo'n twee en een half uur flink doorlopen, en dan moest hij ook het hele eind weer terug.

Sneeuw kraakte onder zijn schoenen, af en toe hief hij zijn hoofd en speurde de woordeloze grijze lucht af, omdat een groepje zwarte kraaien hem leek te volgen. Wanneer hij stopte, landden de vogels dicht bij elkaar en leken samen te vergaderen.

Lars keek schichtig om zich heen, opdat niemand hem zou kunnen betrappen op paranoïde gedrag. Uiteraard was er niemand te bekennen in dit godvergeten gebied en met deze kou al helemaal niet. Hij stond zichzelf niet toe om nog verder te treuzelen en inhaleerde een zweepslag koude lucht. Om tijd te winnen liep hij recht op het meer af, hij had geen zin om er omheen te gaan. Al die extra kilometers. Het ijs zou sterk genoeg zijn.

Omdat er kraaien boven hem vlogen en krijsten, voelde hij zich vervloekt. Zweet kietelde als koude vingers over zijn rug en toen het ook nog zacht begon te sneeuwen, leken er ijsvlinders voor zijn gezicht te fladderen. Ze hadden iets lichtgevends, alsof er een lampje op hun tere rugjes geplakt zat. De sneeuw glinsterde er gewoon van.

Huh? Ze leken niet alleen als glitters om hem heen te vliegen, het leek alsof ze hem ook iets wilden vertellen. Neen! Het voelde als waarschuwen. Hij wuifde met zijn hand voor zijn gezicht en dacht ze daarmee te verjagen. En dat was ook zo. De vlinders waren weg, maar daarvoor in de plaats werden zijn ogen verblind door een schel licht dat via het sneeuwdek weerkaatste en recht in zijn ogen prikte.

Naast hem landde de groep kraaien. Ze waren verdacht stil. Lars keek om zich heen en het viel hem op dat het daglicht verdwenen was en had plaatsgemaakt voor avondschemer.

Dit is onmogelijk, dacht hij, zo lang ben ik nog niet op pad. Met een hand voor zijn ogen stopte hij voor het felle licht, dat langzaam aan kracht verloor. Voor hem stonden bomen met glaswitte ijstakken, ze leken naar hem uit te willen halen. Hij deed een veilig stapje terug tot de kraaien op de takken gingen zitten.

Het was de spiegel die zijn aandacht trok. Nieuwsgierig liep hij erop af. In plaats van zijn vertrouwde gezicht met stevige bakkebaarden en grove neus te zien, zag hij een vrouw. Ze had lila kleurig haar dat wel bevroren leek. Er lag rijp op haar wangen en haar nagels waren wel twintig centimeter lang en lagen gekruld in haar handpalm.

Lars stampte met zijn voeten, keek om zich heen om daarna weer terug te keren naar de spiegel, waarop hij nu wel zijn eigen grijns hoopte te zien. Dit keer was de schok nog groter dan toen hij de vrouw had gezien. De spiegel was leeg! Automatisch klopte Lars op zijn jas om te kijken of hij ook verdwenen was; in zijn hoofd verzekerde hij zichzelf ervan dat hij wel degelijk bestond. Toen hij opkeek, was de spiegel verdwenen. De kraaien vlogen op en lieten kruimels boven zijn hoofd los. Een voor een vielen de kruimels, die besjes bleken te zijn, naast hem neer in de sneeuw. Ze vormden twee woorden: NIET MEER. De bessen waren uiteengespat en leken op een bloedspoor op het witte tapijt.

 

 


 

 

 

 

 

...Het meisje sloeg beschermend haar handen voor haar ogen toen hij de zaklamp recht in haar gezicht scheen. Hij verraste haar door bijna geen geluid te maken bij het openen van de deur. Waarschijnlijk had ze liggen slapen waardoor ze nu verschrikt haar rug stevig tegen de harde koude muur drukte omdat hij stapvoets maar nogal dreigend op haar afkwam lopen. Hier genoot hij zichtbaar van. Op zijn hoofd droeg hij een soort mijnwerkers hoed, met daarop een lamp geklemd. Hij legde de zaklamp naast zich neer zodra hij dicht genoeg bij haar was. De lamp op zijn hoofd gaf hem voldoende zicht op het reddeloze meisje. Op haar kale hoofd vertoonden zich weer stoppels haar. Ze trok de deken strak tegen zich aan. Mager als ze was wist hij, toen hij over haar heenboog, dat ze geen kans tegen hem maakte.

  Zijn hoofddeksel lag, toen hij klaar met haar was, naast de matras en er parelden zweetdruppels over zijn hoofd. Hij keek op het levenloze lichaam neer. Het had hem niet veel inspanning gekost, zo snel was het bekeken. Vol overgave had het meisje zich aan hem gegeven alsof hij God zelf was.

In wezen was hij dat ook. Hij gaf hen hun dagelijks brood, vergaf hen hun zonden, ja hij was God, al kon hij hen niet voor het kwaad behoeden, want híj was het kwaad.

Hij rechte zijn rug en voelde zich centimeters groter, hij nam de bende om zich heen in hem op. Er moest flink opgeruimd worden. Hij zou een hele dag aan het schoonmaken besteden, daarna zou hij zich ontdoen van het lijk en vanaf dan zou de verblijfplaats weer vrij zijn en zou er weer plaats zijn voor een ander meisje. Dit meisje was een vergissing geweest.

Hij zou dit keer beter opletten en zijn best doen. Gelukkig had hij nog het andere meisje achter de hand....


 

 

 

 

Hoe lang zat ze hier nu al tussen de struiken verscholen? Het was fris geworden, ze zou haar handschoenen aan moeten doen. Haar vingers voelden al stijf. De handschoenen van de aardige dame, wie niet het lijk bleek te zijn die ze uit de Rijn hadden gevist, had ze gehouden. Als ze wel van de dode vrouw in de koelcel waren geweest had ze ze zeker weggedaan. Waarschijnlijker nog; waren ze als bewijs meegenomen door de politie.

   De wijzers gaven aan dat het 00:35 uur was. Ze keek in de verte naar de klok van de kerktoren en zag dezelfde tijd. Ze voelde zich moe, het was de vorige nacht met Tim ook al een lange nacht geweest. Als ze er aan terugdacht, kreeg ze het vanzelf wel warm. Ze blies in haar handen en trok de zwarte lederen handschoenen aan. Ze kwam van haar plaats en liep verder om dichterbij de Bateau Rouge te kunnen komen.

   Aan de overkant lagen de gigantische woonboten van ‘Onderlangs’ op de rivier. Voorzien van de minder fraai uitziende schuurtjes op de dijk. Ze snapte een klein beetje waarom de gemeente hier halt aan toe wilde roepen. Het verstoorde het uitzicht van het mooie Natuurpark Meijnerswijk, waar men heerlijk kon genieten van de fraaie natuur met Galloway runderen en Koninks paarden. Vogelspotters konden hier hun hart ook helemaal ophalen.

   Ellen haalde haar hart echter niet op. Aan deze kant van de Rijn was de nacht donkerder dan aan de city kant. De enkele vogel of eend die ze hoorde, brachten haar iedere keer opnieuw aan het schrikken. Misschien was het een beter idee om naar huis te gaan. Ze leek op Miss Marple in lompen!

   Net op het moment dat ze min of meer besloten had dat het een waardeloos idee was om deze actie te ondernemen, zag ze een gedaante tussen de struiken zitten niet ver van haar vandaan. Haar hart klopte als een bezetene. Het zou een gluurder kunnen zijn. Of een tiener die van-horen-zeggen wist wat er zoal gebeurde op de boot en het wel eens met eigen ogen wilde aanschouwen. Dat zou kunnen natuurlijk. Of hield ze zichzelf alleen maar voor de gek om niet banger te worden dan de angst die ze nu voelde?

   Ze verroerde zich niet, muisstil concentreerde ze zich op de gestalte. Het was zacht gaan druppelen. Ook dat nog! Ze vervloekte zichzelf omdat ze ook lekker in bed had kunnen liggen.

Ergens blafte een hond. Er viel een deur dicht, en een man liep vanaf de Bateau Rouge richting zijn auto. Hij zette zijn mobiele telefoon aan, dit zag ze aan het oplichten van het schermpje. Misschien ging hij zijn vrouw een berichtje sturen dat zijn nachtdienst er op zat en snel naar huis toe zou komen!

   Ze kreeg last van spierstijfheid maar durfde niet te gaan verzitten. De regen nam toe, de druppels doorweekten haar in een mum van tijd. O, wat baalde ze van deze situatie. Wat als de gestalte de hele nacht op dezelfde plek zou blijven zitten? Moest zij dan geen actie ondernemen? Ze zou hier hartstikke ziek van kunnen worden.

   Plots stond de gestalte op. Groter dan ze had gedacht. Dit kon niet het postuur van een tiener zijn! De man, althans ze nam aan dat het om een man ging, liep richting de boot. Toen hij ver genoeg van haar af stond, durfde ze zich eindelijk te bewegen. Ze had écht fikse kramp.

   Een tak knapte en ze kreunde. De man had het ook gehoord en draaide zich abrupt om. Ze vloekte. De man ook. Ze stond op en met de stijfheid nog in haar benen rende ze zo hard als ze kon het Natuurpark in. Klom over de omheining en rende zigzaggend het veld over. Ze struikelde maar durfde toch eenmaal achterom te kijken, ze zag nog net de man ook over de omheining klimmen...


 

Ik zal mijn tas moeten vullen. Nutteloze dingen smijt ik aan de kant. Ik sorteer op bruikbaarheid, niet op luxe. Ik kijk de kamer rond. De rest van het huis probeer ik te negeren. Zoals het mij ook verwaarloosde.
Ik prop makkelijke kleding in de zijvakken.
Strings en bh’s bovenop. Laarzen plus een paar extra gympen. Dat móet voldoende zijn. Ik wil niet denken aan wat er in de garage ligt. Of beter gezegd; wíe er ligt.
Mijn neusvleugels ruiken alleen nog bloed. Zíjn bloed.


Ik pak mijn dagboek. Bewijs. Er zal vast iets in staan waaruit ze dingen kunnen opmaken. Ik wil niet dat ze in mijn leven rondneuzen. Al zal het eerst op geloofwaardigheid getest moeten worden. Men zal mij een fantast vinden. Misschien ben ik dat ook wel. Dingen gaan een eigen leven leiden.
Ik steek een sigaret op. Zíjn merk want ik rook niet.
Ik ben mezelf niet.
Ik hoest. Ik snap niet waarom men dit een lekkere verslaving vindt? Zelfs na de hele sigaret te hebben opgerookt proef ik afschuw.
Wanneer iemand met zijn hoofd schuin op een speciale manier een trekje neemt, straalt dat iets erotisch uit. Maar het woord erotiek was niet aan hem besteed.

Ik zit met de gepakte tas op ons onopgemaakte bed. Ik ben nooit een vrome huisvrouw geweest en hij was óók liever lui dan moe. Ik ruik nog zijn aftershave. Die geur heeft me altijd tegen gestaan. Ik zal er geen last meer van hebben. Ik kijk de kamer nog eens rond. Het behang is aan vernieuwing toe en de verf bladdert hier en daar van de kozijnen.
Hey, wáár maak ik me nú in hemelsnaam nog druk om?
We kregen een kind, ons kind, zijn kind.
Zij het met enige twijfel moet ik bekennen.
Dat het mijn kind was, mocht duidelijk zijn. Ik moest door die zestien verschrikkelijke uren heen zuchten. Maar wat was ze mooi. Zo lief en klein. Ze leek op mij, althans dat beeldde ik mij in. Ik hoopte het vurig.
Hij waarschijnlijk ook.

Zal ik nog eenmaal haar kamertje binnengaan. De wond openrijten?
Ik sta op en schuifel de gang door voorbij een stapel ongewassen was. Ik open geluidloos haar kamertje, alsof er een baby wakker gemaakt zou kunnen worden. Sufferd!, bijt ik mezelf toe.
Ik sta in het midden van wat eens haar kamertje was. Geschilderde wolkjes tussen het blauwe plafond, maakt dat het lijkt alsof ik buiten sta. De meeuwen hoor die aan hun visdraad rond te lijken vliegen.
Het lege bedje staat nog in de schaduw van de wolken. Ik durf niet te kijken. Ik beeld me in dat ze ligt te slapen in haar roomwitte trappelzak. Toch draai ik mijn hoofd die kant uit en zie alleen een kale matras.
Ik ben een inzinking nabij. Het was geen goed plan nu nóg haar kamertje te willen proeven. Ik haast me naar de gang en vervloek de stapel was waarover ik struikel.
Ging daar niet de telefoon?
Ja, ik hoor het goed, de telefoon gaat. Ik pijnig mijn hersenen in de hoop dat mij te binnen schiet of ik soms een afspraak vergeten ben? Had ik misschien ergens moeten zijn? Ik kijk op mijn klokje. Kwart over negen. Ik twijfel. Níet opnemen roept misschien vragen op. Ik ren de trap af en pak nog net de hoorn op voordat de telefoon stopt met rinkelen.
‘Hallo?’
Mijn stem klinkt hol, maar misschien dat alleen ik dat hoor?
‘Hey, meid, ben je daar eindelijk, ik dacht al dat je jezelf een lekker-vroeg-in-bed-avondje gunde?’
Ik hoor de vrolijke stem van Simone.
‘Nee, ik lag er nog niet op. Het is nog vroeg,’ antwoord ik haar. ‘Ik ben zélfs bezig met de grote schoonmaak.’
Eigenlijk is hier geen woord van gelogen. Dé grote schoonmaak. Opgeruimd staat netjes!
‘Ben je er nog?’ vraagt Simone.
‘Is Mark al weer aan het werk gegaan vandaag en hebben jullie leuke vakantie gehad?’ vraagt ze nieuwsgierig.
‘We hadden een weekje vrij Simone, dat is nog geen vakantie. Beetje uitrusten, niets doen, van dat alles, en ja Mark is weer aan het werk gegaan.’
Het verbaast me dat de leugen er zo gemakkelijk uit komt rollen. Ik ben inmiddels ook wel een pro.
Prima gedaan, applaus voor je zelf Amanda!
Ze vraagt of ik vrijdag mee wil gaan naar de Nijmeegse markt maar ik wimpel het af door te zeggen dat ik juist die in die vrije week niet veel gedaan heb en dus nog bergen werk te verzetten heb.
‘Grote schoonmaak zei ik je toch’?
‘Ja, ja, oké andere keertje dan. Weet je zeker dat alles oké met je gaat, je klinkt zo…?’
‘Prima, prima,’val ik haar in de rede. Ik wil dit gesprek beëindigen en zeg haar dat ik naar de wc moet. Ik heb al opgehangen nog voor haar laatste woorden gezegd kunnen worden.

Ik kijk de kamer rond.
Gek, gister was het nog bewoond, nu lijkt het alsof het leven uit de woning is weggeblazen. Eigenlijk is dit ook zo. Niet sinds vandaag, maar sinds de dood van Merel. Ik slik. Niet aan haar denken, niet nu, ik moet sterk zijn.
Maar het is moeilijk. Sinds haar afwezigheid ben ik ook gestorven. En Mark, ach Mark die ligt in de garage. Morsdood!
De kamer is stoffig. Maar zelfs afgestoft gaf het nooit een opgeruimde look. De versleten bank, een tafel met beschadigde hoeken. Lampen met ietwat ouderwetse kappen.
Dit alles maakt de kamer een toonzaal voor tweedehandse spullen. Ik tuur naar de muur met onze trouwfoto.
Acht jaar geleden, Mark in zijn geleende pak, ik in mijn derdehandse japon. Het was een mooie dag, toen konden we onsniet realiseren dat ik nu hier in onze aftandse woonkamer zit te hyperen.
De enige moderne kamer hier in huis is het kamertje van Merel; De wolkenkamer. Haar foto's staan niet meer op de lege plaats op het dressoir. 'Het lijkt potdomme wel een altaar,’ had Mark gevloekt. 
Nu houdt hij zijn grote bek wel....

 

  

 

 

 

 

Top